?

Teleurgestelde ouders

Het tijdschrift j-m Voor ouders kwam op dinsdag 25 augustus 2009 in het nieuws met de resultaten van een enquête onder 500 ouders (lezers?) naar de tevreden­heid met het onder­­wijs aan hun kinderen. Ik vind sommige resultaten opmerke­lijk.
Natuurlijk niet dat maar 5% het onderwijs goed vindt, dat het basisonderwijs slechts een 6,7 scoort en dat ze meer aandacht voor rekenen en taal willen. (Wat er dan geschrapt moet worden, staat er niet bij. Jammer.) Wie had anders verwacht van de altijd mopperende Nederlander.
Maar wel opmerkelijk is dat 80% een strenge (doch rechtvaardige) leerkracht wil, dat 56% een strafwerkje best op prijs stelt en dat 61% vindt dat onder­wij­zers niet bij de voornaam genoemd moeten worden. Van de gebruikte reken­me­thode begrijpen ze niet veel.
Als je vervolgens de praktijk van het onderwijs in de overwegingen betrekt, wordt het nog vreemder. Want als ik als invalleerkracht, na zeer geleidelijke opschaling en dan na weer eens tien incidentjes binnen vijf minuten, uiteindelijk pedagogisch uit de slof schiet, dan stromen de ouderklachten binnen. De wens is blijkbaar: wel streng maar niet ten opzichte van het eigen kind, of: wel streng maar zonder gestrengheid, het moet liefelijk blijven.

Ik hoorde redactrice Elzinga op de radio en later een mevrouw De Vries in een interviewtje in Lunch bij de NCRV. Na introductie van de gevonden feiten, kwa­men een paar mogelijke oorzaken en oplossingen aan de orde. Eén daarvan viel me meteen op: mogelijk een gebrek aan aandacht voor basisvaardigheden zoals lezen, schrijven, taal en rekenen.
In mijn ruim 130 invalbeurten sinds 1993 ben ik nog geen enkele basisschool tegengekomen waar ik een ‘gebrek aan aandacht voor de basisvaardigheden’ kon constateren. Wel dat het onderwijs niet bij alle leerlingen tot het gewenste resul­taat leidde. In veel gevallen werd daar dan aardig wat energie in gestoken om het in orde te krijgen: van behandelplannen en remedial teaching tot voor-, in- en uitstaptoetsen.
Waar het in de praktijk soms heftig aan schort, is de werkhouding. En, heel merk­waardig: hoe langer op school, hoe moeilijker het voor een leerkracht wordt om de zaak in het gareel te krijgen. Het is heel vervelend dat je meteen bij aan­vang van de schooldag in een vreemde klas de strijd moet aangaan voor gewoon … enige rust en aandacht.

Hoe ‘het’ allemaal zit, met die kwaliteit van het onderwijs, hoe ouders daarover denken en waardoor dat komt, durf ik niet te zeggen. Toch een paar over­we­gin­gen en speculaties aangaande oorzaken, gevolgen en oplossingen.
Het is goed voorstelbaar dat de moderne ouder niet zo toekomt aan het schep­pen van een gunstig pedagogisch klimaat. Niet dat dat vroeger altijd beter ging en nu altijd fout maar ik denk echt dat het aantal contacturen ouder-kind vermin­derd is. En dan wordt het vanzelf moeilijk om iets van de opvoeding te maken. Is het terecht om mogelijke gevolgen daarvan af te wentelen op ‘school’?
Daniel Pennac wijst in ‘Schoolpijn‘ op de vervelende invloed die de ‘omgeving’ heeft op de perceptie van kinderen. Ze kunnen veel van hun wensen zonder enige inspanning vervullen of vervuld krijgen. En juist dankzij alle goede bedoe­lin­gen van ouders met hun een of twee begaafde telgen, voelen ze zich gemak­ke­lijk het middelpunt van het heelal. Waarom zouden ze zich dan op school gaan inspannen voor zaken die nou niet hun echte belangstelling hebben? In de film ‘Entre les Murs‘ zie je dat die schobbejakken ineens hun best gaan doen als het schoolwerk wèl aan hun eigen wereld raakt.
Hoe mevrouw De Vries haar stelling ‘leren gaat nooit vanzelf’ precies bedoelde, weet ik niet. Ik wil er maar op wijzen dat kinderen vanaf hun geboorte ongeloof­lijk complexe dingen leren; bijvoorbeeld praten, beelden verwerken, dingen pakken, lopen. En dat doen ze niet volgens een lesmethode met invuloefeningen. Echter: op alle scholen worden heus de methodes gebruikt waar mevrouw De Vries vertrouwen in stelt. Geloof het of niet, ook zonder methode­boekjes is het goed mogelijk om kinderen te leren lezen, rekenen en schrijven met als bijko­mend voordeel dat ze blijven denken.
‘U-zeggen’ werd lang den pogeerd door mister-predent Balkende (op school snapte hij bijkbaar aan de logepist). Hij kwam mee in NRC-tikel als goed beel van spectvol gang. Tsja, wat moet je met zo malig hogogelaarChristek sjaal denk’. Wat leerlingen tegen mij zeggen: meester, juf, u, jij, Frans of zelfs papa; het kan me niet zo heel veel schelen. Als ze maar staan voor hun werk, aardig zijn voor hun klasgenoten en het bij correctie niet zoeken in smoesjes. Lees de blogs Gedrag van ….

En helemaal merkwaardig: uit het Nationaal Scholenonderzoek van een week eerder kwam naar voren dat 85% van de ouders best tevreden is over de basisschool. Als verbeter­punt wijzen ze juist op het bijbrengen van sociale vaardigheden. Aan dit onderzoek werd maar weinig aandacht besteed. Goed nieuws is blijkbaar geen nieuws.
In Villa VPRO blijkt dat de onderzoeken niet identiek van opzet zijn. j-m Voor ouders vroeg namelijk óók naar de mening over scholen in het algemeen, niet de eigen, en naar de waar­dering voor het v.o. Dat deed het Nationaal Scholen­onderzoek niet.
Nu wordt het ingewikkeld. Mevrouw Elzinga veronderstelt dat ouders over hun eigen kind en school positiever zullen zijn, misschien omdat ze niet onder ogen willen zien dat het er niet zo goed voorstaat. Dat doet pijn en dan moet je wat. En dat ouders, redenerend vanuit het v.o. vinden dat de vooropleiding toch tegenviel. Jair Stein (VPRO) en Durk Bosma (Nationaal Scholenonderzoek) werpen tegen dat beeldvorming hier een rol kan spelen (media die voort­durend hypen, “het is toch zo verschrikkelijk onveilig in Nederland maar ik … oh, ik voel me best wel veilig, natuurlijk”). Ze vragen ook wat de geënquêteerde ouders feitelijk weten over andere scholen, over ‘het’ basisonderwijs. Volgens Elzinga hebben ouders daar hun bronnen voor. Ik denk: ja-ja (dus nee-nee). Welke antwoorden zijn nou betrouw­baar: die een beetje gejokte over eigen kind en school of die gebaseerd op ‘van horen zeggen’?
Elzinga suggereert om de onderzoeken samen te voegen en veronderstelt dat ‘de waarheid’ in ergens het midden ligt. Maar wat ìs die waarheid en wat is de waarde van de uitkomsten van deze onderzoeken? Ouders vinden wat ze vinden en daarvan geven beide onderzoeken een beeld. Misschien is het gewoon nuttig om dat ook te weten. In ieder geval is het populair om aandacht te besteden aan gebakken lucht.
Het gaat mij te ver om, op basis van deze onderzoeksresultaten, conclusies te trekken over hoe het er werkelijk voorstaat met het onderwijs. Pas als we dat weten, kun je een vergelijking maken met het beeld van de ouders hiervan hebben en concluderen: ‘dat beeld klopt’ òf ‘ouders hebben geen goed zicht op wat er in het onderwijs speelt’. Een voorbeeld uit de praktijk: er zijn ouders die zich niet kunnen voorstellen dat hun eigen kind in de klas voor de nodige onrust zorgt …

Ik ben benieuwd of de resultaten van deze enquêtes praktisch nog wat gaan betekenen voor mijn invalwerk.

Plaats een reactie