?

Een baby leert …

Een baby leert, een leerling leert.

Dit is verhaal 19 in een serie blogjes over de Weerenschool en Freinet. Het overzicht staat in De Weerenschool en Freinet I.

Het is krek een mirakel. Het is een groots wonder wat een baby/peuter leert: praten of beter gezegd communiceren, lopen of beter gezegd de hele motorische mallemolen, snappen hoe de wereld in elkaar zit. Ze leren eten en ze worden zin­delijk. Allemaal basale, ‘simpele’ dingen.
Dat gaat zeker niet vanzelf. Ze krijgen met eindeloos geduld en grote toewijding heel veel voorgedaan door ouders en anderen.

Feitelijk weet niemand hoe het werkt. Die ouders zijn niet eens professional.
Eigenlijk is dit een merkwaardige constatering. Wetenschappers kunnen maar niet begrijpen hoe het mogelijk is dat kinderen een bal leren vangen en toch doen die koters het. Niets of niemand verplicht ze ertoe dat te leren en ze doen het toch. Het lijkt erop dat kinderen het leuk vinden om van alles te leren. Er zijn uitzonde­ringen, kinderen waar het om de een of andere reden niet zo goed mee gaat. Daarvoor hebben we het consultatiebureau en de jeugd­zorg.
Er bestaan vele studies over leren-lopen (want hoe houd je een robot overeind?) maar er zijn geen methodeboekjes of een leren-lopenschool. Tot nu toe is het Kluwers en Wolters-Noord­hoff niet gelukt een succesvolle methode ‘aan-mijn-moeders-borst-zuigen’ op de markt te brengen.

Het lijkt er zelfs op dat jonkies op dezelfde vanzelfsprekende manier beginnen aan leren schrijven, lezen en rekenen. Maar toch vinden we dat dat anders moet: kinderen moeten naar school om die dingen daar op een ‘gestructureerde’ manier tot zich te nemen.
Misschien is die schoolgang verstandig. De Middeleeuwse manier (kind gaat mee met ouder om een vak te leren) past echt niet meer in deze tijd.
De schoolgang is in ieder geval praktisch want ouders krijgen zo hun handen vrij om zich maat­schap­pe­lijk nuttig te maken. De uitdagende job bij het callcenter lokt, het target aan de lopende band of achter de kassa is de ultieme uitdaging in ‘s mensen bestaan. Er moet toch ook wat verdiend worden … Voor de a.s. vakantie, de sportclub, de hypo, de tweede auto. Vanwege de participatiemaatschappij liggen er ook nog taakjes als boodschappen doen voor behoeftige buren en het huis­hou­den bij oude ouders.

Het gaat zoals het gaat. Maar ik vraag me af of er wel oog is voor wat kinderen óók leren van hun schoolgang. Ze, de meesten, leren inderdaad redelijk lezen, schrij­ven en rekenen. Ze krijgen een basaal zicht op de geschiedenis en de wereld. Dat er daar ook weer over geklaagd wordt, over het niveau, geeft na­tuur­lijk te denken.
Maar wat leren ze ondertussen, tussen de regels door, nog meer? Ze leren dat de juf en de meester bepalen wat er in de klas gebeurt. Ze leren dat die juffen en meesters boekjes nodig hebben om zinvol bezig te zijn. Ze leren dat ze gemeten en getoetst kunnen worden op hun kwaliteit. En ze leren dat hun eigen wensen en ideeën er niet zo veel toe doen.

Het leuke van de werkwijze van de Weerenschool was dat de kinderen daar juist gestimu­leerd werden om initiatieven te nemen, hun verstand te gebruiken, hun eigen zaakjes te regelen. De bezwaren tegen deze manier van werken hoef ik hier niet aan te dragen. In het volgende blogje toch een repliek op twee, veel gehoorde twijfels.

Naar het laatste (eindelijk) verhaal: Wat is belangrijk om te leren, wat is nodig om te weten.

Plaats een reactie