?

Een achtergrond …

Een achtergrond van ons onderwijs

Dit is stukje 18 in een serie blogjes over de Weerenschool en Freinet. Het over­zicht staat in De Weerenschool en Freinet I.

Eerst even over de titel van dit verhaaltje: ‘Een achtergrond …’. Slechts ‘Een …’ en niet ‘Dé achtergrond …’. Ik heb niks gestudeerd, zeker geen historische peda­gogiek of iets derge­lijks. Toch werd er op de kweekschool / p.a. / pabo aandacht besteed aan hoe een en ander in onderwijsland tot stand is gekomen. En ik vond ‘Deschooling society’ van Ivan Illich inte­res­sant.

Dat kinderen en jongeren in onze samenleving les kunnen krijgen, dat is fan­tas­tisch. Je hoeft je maar te informeren over hoe dat in andere landen gaat en in andere tijden ging om niks anders te willen. Toch is het goed om even terug te gaan naar de invoering van de leerplicht.

Een paar jaar geleden schreef ik onderstaand opgewonden riedeltje.

‘Leerplicht’. Het woord alleen al: ‘…plicht’. Leren vindt volgens mij alleen plaats als het slachtoffer er zelf zin in heeft. Ik verordonneer hierbij de ‘vrolijkplicht’. Het had natuurlijk ‘leerrecht’ moeten zijn en wat ingevoerd werd, was een ‘schoolplicht’.

In 1901 werd dus de leerplicht ingevoerd voor kinderen van zes tot en met twaalf jaar. Het scheelde maar niks want de wet werd slechts aangenomen met 50 voor- en 49 tegen­stemmen. De vijftigste tegenstemmer was van zijn paard gevallen. Sinds 1874 was kinder­arbeid al verboden maar dat had weinig aan de praktijk veranderd.
Er zullen deels idealistische, deels praktische motieven een rol gespeeld heb­ben. Het is een fraai ideaal om te willen dat alle kinderen leren lezen, schrij­ven, rekenen en meer. Het is ook uitermate praktisch als jonge fabrieks­ar­bei­ders een leuke vooropleiding hebben gehad. Het is nobel om de kinderen te willen be­schermen tegen kinderarbeid. Het is handig om ze op te hokken waarmee wordt voorkomen dat ze in ledigheid over straat zwalken.
Het lag voor de hand dat voor de inrichting van het onderwijs werd voort­ge­bor­duurd op de staande praktijk. Volgens mij was dat een heel slap aftreksel van het vigerende onderwijs aan de rijken en religieuzen.

In de loop der jaren is de leerplicht uitgebreid van vijf naar 16 jaar en dan volgt nog twee jaar ‘kwalificatieplicht’, mogelijk in de vorm van een combinatie van leren en werken.
Het doel van deze leerplicht wordt door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Weten­schap omschreven als: ‘Alle kinderen in Nederland moeten worden voor­bereid op de maat­schappij en de arbeidsmarkt’. Dat staat er tenminste recht door zee. Geen gezemel over zelfontplooiing, talentontwikkeling en zingeving aan het bestaan. Nee: gewoon klaar­stomen voor werkplek en con­sumptie. Luid en dui­de­lijk.
Hoe dan ook: de invoering van de leerplicht mag revolutionair genoemd worden.

Van 2003 tot en met 2011 heb ik als invaller weer met enige regelmaat voor de klas gestaan, in groepen 3 tot en met 8, en dat zet aan het denken. Namelijk: bij leerlingen zo vanaf van tien of elf jaar ga ik me afvragen of de leerplicht wel hout snijdt; of die zijn doel bereikt. Dat geldt natuurlijk niet voor alle klassen of voor alle kinderen in zo’n klas.
Naar aanleiding van een van de vele invalsessies schreef ik in mijn dag­ver­slagje:

Er gebeurden geen akelige ‘ongevallen’ maar het was zeer vermoeiend, nogal vervelend, verdrietig en ook frustrerend. Alleen met de uiterste in­spanning lukte het om ze werkend te krijgen.
Zou het wat zijn om ‘spiegelfilmpjes’ te hebben van ‘een elftal met tegen­dribbe­laars’, van ‘verkeer met wegpiraten’ om te laten zien waar het aan schort?

Het is werkelijk onmogelijk om alle moeilijke momenten in zo’n klas per geval te beschrijven. Een schooldag duurt 5,5 uur. Dat zijn 330 minuten en zelfs 19.800 lange seconden waarin ik ruim dertig kinderen (behoudens enkele positieve uitzonderingen) scherp in de gaten moet houden, bij moet sturen en aan het werk moet houden; dat ik moet zien te voorkomen dat ze mij of elkaar onderuit schoffelen. Lees eventueel Gedrag van kinderen waar ik de algemene mechanismen heb proberen te beschrijven.

Zou het nu, na 110 jaar leerplicht, misschien tijd zijn voor een even rigoureuze maatregel als de invoering van de leerplicht, namelijk: de afschaffing ervan. Anders geformuleerd: alleen kinderen die overduidelijk blijk geven van be­lang­stelling, zijn welkom op school.
Deze insteek zou een zegen kunnen zijn voor leergierige kinderen, onderwijzers en ook voor de overheidsbegroting. En misschien is het de doodsteek voor de vele instanties die zich bezig houden met ‘herstelwerk’ (adviseurs, begelei­dings­dien­sten en remidieerders).

Toch: om twee redenen zit het plan me niet helemaal lekker. Is dit een vorm van Wilders-denken? (Als Wilders zo ver zou kùnnen denken. Ik vermoed van niet want dit gaat niet over Islam- en MOElanderschimpen maar over een andere vorm van uitsluiting.)
1. Wat te zeggen over en te doen met de afvallers?
2. Hoe zou je meer kinderen binnen de leerboord kunnen houden?
Ad 1.
Wie niet leren wil, moet maar … werken, voor een grijpstuiver, als dat werk er tenminste is. Dat betekent bijvoorbeeld dat goedkope textielarbeid terug kan naar Nederland. Echt eens wat anders dan de uitbuiting van kinderen in derde­wereldlanden.
En wie ten halve keert: geef alle Nederlanders een knipkaart met tien jaar leerrecht inclusief de eventueel benodigde kinderopvang.
Ad 2.
‘Onderwijzen is het ontsteken van een vlam en niet het vullen van een vat.’ Vanwege het vele vermoeiende ‘vullen’ kom ik maar met moeite toe aan de ‘vlam’. Freinet is blijkbaar uit de tijd maar we waren wel degelijk bezig met dat vlammetje.

En leg, als onderwijzer, het gedragsprobleem daar waar het thuishoort, bij de ouders. Ik wil een ‘opvoedplicht’ voor ouders en een ‘opvoedrecht’ voor kin­de­ren.
Opvoeden: kun je dat vandaag de dag nog vragen, verlangen of eisen van alleenstaande moeders of twee werkende ouders? Kinderen worden, na ver­wek­king, dracht en worp, asap uitbesteed aan een instelling. Er zijn blijkbaar zoveel andere dingen in het leven van een volwassene die interessanter en nuttiger lijken te zijn dan het opvoeden van het eigen kroost: caissière zijn, rondrijden met taxibusjes vol kinderen van anderen en – het summum – als accountmanager zoveel mogelijk producten (die je zelf niet echt begrijpt) uitzetten om je target te halen.
Dit gedoe is ook noodzaak want er is een studieschuld, een hypotheek­schuld, autoschuld en andere schulden.

Het is werkelijk grappig dat wij, Nederlanders, zo rond 1960 medelijden hadden met de moeders en de kinderen in Rusland, de USSR. In die communistische ‘heilstaat’ moesten moeders ook nog eens werken in de fabriek en werden kinderen gedumpt in crèches.

Een stukje onvervalste irritatie. Wat onderwijs al niet teweeg kan brengen ;-).
Bij Ad 1 en 2 bedenk ik me nog dat ik (misschien) te gemakkelijk voorbij ga aan de proble­matiek van de ‘medelander’: tweetalig, andere gewoonten en gebrui­ken. Ik heb er weinig ervaring mee.

Nog een schimpscheutje …

Na honderd jaar ‘onderwijs genieten’ zou de samenleving er toch enorm op vooruit gegaan moeten zijn. Iedere generatie kon weer profiteren van de voor­uitgang die de vorige geboekt had, dankzij dat voortreffelijke onderwijs. Vergelijk het met techniek, met de medische wetenschap: steeds meer, mooi­er, beter en knapper. Of zitten er hier meerdere addertjes onder het gras?
Ik krab mij altijd achter het oor bij deskundologen die zo enthousiast zijn over ‘onderwijs zoals het vroeger ging’. Hoe kan er uit iets dat zó goed was, iets voortkomen waar de kenner over moppert. Is er in dat degelijke, ouderwetse onderwijs dan niet iets over het hoofd gezien?

Naar het volgende verhaal: Een baby leert, een leerling leert.

Plaats een reactie