?

Schoolpijn


Alle citaten zijn afkomstig uit “Schoolpijn” van Daniel Pennac.
Oorspronkelijke titel “Chagrin d’école”, © 2007 Editions Gallimard, Paris – Nederlandse vertaling © 2008 Kiki Coumans en J.M. Meulenhoff b.v., Amsterdam (ISBN 9789029082365).

Ik wilde dit verhaal al in 2009 publiceren maar dat vond Meulenhoff niet goed want teveel citaten. Daar zit wat in maar in juli 2017 heb ik het – heel stout – toch gedaan. Het verhaal is te mooi om achter te houden en ik hoop dat meer mensen dit boek kopen en helemaal gaan lezen als gevolg van dit blogje.


In de familie en onder vrienden is het algemeen bekend. Het werd niet als een ramp gezien en ik ben er redelijk overheen gegroeid. Dus daar gaat-ie; ik gooi het in het openbaar: ik was een slechte leerling. Niet op de lagere school (daar was ik ‘wijsneus’ met een beetje dyslexie avant la lettre) maar op de middelbare school. Daar ging het flink mis. Na twee mislukte jaren lyceum volgde een zware tijd op de MULO. Toch is het me gelukt om, met de hakken over de sloot, MULO B met wis- en natuurkunde te halen. Daarna kwam de ‘hemel ter school’ op de HAVO / Pedagogische Akademie. Wel met af en toe een dipje, een misser, moeilijke maan­den. Maar over het algemeen werd ik tot de top tien gerekend. Of dat nou waar was … (Meer over de HPA staat in het blogje over de Spaarndammerstraat.)

Het was alsof ik (grote delen van) mezelf beschreven zag in ‘Schoolpijn’ van Daniël Pennac. En zo geestig. Lees een paar citaten mee.

(pg. 10) Ik was dus een slechte leerling.

Het begon met rekenen, ik raakte het spoor bijster bij wiskunde, ik kon niet spellen, ik slaagde er maar niet in jaartallen uit mijn hoofd leren of plaatsen op de kaart aan te wijzen, ik was niet in staat een vreemde taal te leren, ik was notoir lui (les niet ge­leerd, huiswerk niet gemaakt), ik bracht de erbarmelijkste cijfers mee naar huis, die ook nog eens niet werden gecompenseerd doordat ik goed was in muziek of sport, of in enige andere buiten­schoolse activiteit.

Ja, die cijfers … Mijn leraar Frans, dhr. Weltevreden (!), stopte op 1/3 met het nakijken van mijn proefwerk. De score was een 1 met de kanttekening ‘voor de moeite, ± 875 fout’. Mijn rapport was rood op tekenen en gymnastiek na.

(pg. 18) Een slechte leerling waar geen historische aanleiding of sociologische verklaring voor was, en die geen gebrek aan liefde had gehad: gewoon een slechte leerling.

Inderdaad: ook bij mij geen gebrek aan liefde, morele steun en praktische bege­leiding. Geen moeilijk gezin of iets dergelijks. Maar in mijn geval wel een pa die er op school niet veel van had gebakken en toch goed terecht was gekomen waar­door hij mij veel vergaf. Pennac schrijft over de houding van zíjn vader:

(pg. 10) ‘Geen paniek, over zesentwintig jaar kent hij het alfabet op zijn duimpje,’ zei mijn vader met een ironie waarmee hij de aan­dacht van zijn eigen angsten afleidde.

en

(pg. 10) ‘Dat doctoraal heeft je een revolutie gekost, moeten we ons voor je onderwijsbevoegdheid voorbereiden op een wereldoor­log?’ Hij zei het zonder gemene bijbedoelingen. Dat was onze manier om te zorgen dat het niet tussen ons in kwam te staan. Mijn vader en ik hadden al in een vroeg stadium besloten het met een glimlach op te nemen.

Ik ben Pennac niet. Nee: buiten schooltijd was er maar één vriendje. Ik kon hem de baas en dat moest af en toe wel even duidelijk gemanifesteerd worden. Bij Pennac zat dat anders.

(pg. 20) En toch was ik van buiten een levendig en speels kind, zonder overdreven druk te zijn. Ik was goed in knikkeren en bik­kelen, onverslaanbaar bij vangbal, wereldkampioen kussenge­vech­ten; ik speelde wat af. Ik praatte en lachte graag, hing regelmatig de clown uit en had vriendjes uit alle gelederen van de klas, slechte leerlingen, maar ook bollebozen – vooroordelen waren mij vreemd. Sommige leraren namen me die blijmoedigheid nog het meest kwalijk. Ik was dus niet alleen een slechte leerling, maar ook nog een brutale aap! Bescheidenheid is wel de minste vorm van beleefdheid voor een slechte leerling – doodgeboren zou nog beter zijn. Alleen was mijn levendigheid voor mij zogezegd van vitaal belang.

Aan de volgende uitspattingen heb ik me al helemaal niet durven wagen. Ik was best braaf en gezagsgetrouw. Ooit gooide ik, met vele anderen die het beter konden, met sneeuwballen de ruiten van een clubhuis in. Ik werd direct ‘gepakt’.

(pg. 22) En dus werd ik mijn eigen bende, net als in het liedje van Renaud, ‘Je suis une bande de jeunes’. Een zeer bescheiden bende waarmee ik in mijn eentje geniepige vergeldingsacties uit­voer­de. Zoals de koeientongen (zo’n honderd) die ik ‘s nachts uit blikken in de kantine had gehaald en op de deur van de kantine­be­heerder spijkerde omdat hij ons die twee keer per week te eten gaf, en omdat we de tongen die we niet hadden opgegeten de volgen­de dag opnieuw op ons bord kregen.

Het volgende citaat is lang. Dat moet want het is zó treffend. Toentertijd maakte ik alleen de kant van de ‘verstijfde leerling’ mee. Ik ‘maakte’ mijn huiswerk, van zeven tot elf, en helemaal niks was af … omdat ik in vertwijfeling had zitten patien­cen.

(pg. 52) … Zijn huiswerk heeft hij uiteraard niet gemaakt. … Dat kan drie dingen betekenen: ofwel … omdat hij andere dingen te doen had (op stap met vrienden, …), of hij is in een lome moedeloosheid op zijn bed neergeploft …, of – de meest optimistische hypothese – hij heeft een uur of twee lang dapper geprobeerd de oefeningen te maken, maar het is hem niet gelukt.
In alle drie de gevallen moet een leerling … tegenover zijn leraar verantwoorden waarom hij niks kan inleveren. En de simpele, zuive­re waarheid is in dit geval tegelijk de moeilijkste verklaring: ‘Meneer, mevrouw, … omdat ik een groot deel van de avond ergens in cyberspace heb gevochten …’ ‘Mevrouw, meneer, … gisteravond ben ik onder een verpletterende moeheid bezweken.’
Het nadeel van de waarheid is … dat je toegeeft dat je je huiswerk niet hebt gemaakt, wat onmiddellijk tot een sanctie leidt. Onze leerling zal liever een verklaring geven die institutioneel gezien beter ligt. Zoals: ‘Mijn ouders zijn gescheiden en … heb ik mijn huiswerk bij mijn vader laten liggen.’ Een leugen dus. De leraar hoort vaak ook liever een aangepaste waarheid dan dat de leerling gewoon opbiecht … wat … zijn autoriteit aantast. Qua cijfer is de prijs bekend: geen werk … een nul.
Een leerling … die dapper maar vergeefs heeft geprobeerd …, gaat het nauwelijks anders af. ‘Mijnheer, ik heb gisteren twee uur lang uw huiswerk níet gemaakt. … Nee, nee, ik heb ook niks anders ge­daan, … en ik heb twee uur in een wiskundige shocktoestand achter mijn tafel gezeten, … Na het eten was het te laat, toen kreeg ik een nieuwe aanval van totale verstijving onder mijn huiswerk Engels.’
Om die openlijke vernedering te vermijden zal ook deze leerling liever een diplomatieke versie van de feiten geven: ‘Net toen ik de opgave aan het lezen was, ontplofte ineens de verwarmingske­tel.’ … ‘Het komt door mijn moeder! Ze is overleden.’
… al zijn geestelijke energie gaat op aan het weven van een sub­tiel netwerk [van] leugens.
… [dit] vergt een energie die niet in verhouding staat tot de inspanning die het een goede leerling kost om zijn huiswerk goed te maken. Het put onze leerling helemaal uit.

Op bladzij 56 herken ik mezelf in Pennacs verhaal ineens in een andere hoedanig­heid: als onderwijzer.

(pg. 56) Maar er is nog een andere reden waarom een leraar die leugens negeert, een meer verborgen reden die, als hij tot het bewustzijn zou doordringen, ongeveer hierop zou neerkomen: deze jongen is de belichaming van mijn eigen falen als leraar. Het is mij blijkbaar niet gelukt hem vooruitgang te laten boeken of aan het werk te krijgen.

Met Pennac is het dus echt goed gekomen: hij werd docent Frans en schrijver. (Van mezelf ben ik nog niet zo zeker ;-).) Hoe dat zo gekomen is? Wat geluk, enkele goede leerkrachten en … de Liefde!

(pg. 69) Een ander onderdeel in mijn metamorfose was de intrede van de liefde in mijn veronderstelde minderwaardigheid. De liefde! …
… Dat was een andere vorm van bezinken die … het doodvonnis bete­ken­de voor mijn status als slechte leerling. Er hield een vrouw van mij! Een vrouw noemde me bij mijn naam! … Ik, gekozen uit al die anderen! Ik, de leukste! Voor haar! … Hoe kon zoveel ongeduldige hartstocht zoveel kalmte en zekerheid teweegbrengen? Wat een ver­trouwen had ik plotseling in mezelf! In de paar jaar dat dat geluk duurde was het afgelopen met alle flauwekul. In plaats daarvan ging ik er hard aan trekken.

Het ‘slechte leerling syndroom’ zal Pennac zijn leven lang achtervolgen in de vorm van twijfel aan eigen kunnen en wegdromerij. Maar het stelt hem ook in staat om zijn eigen leerlingen te begrijpen en het ‘systeem’ kritisch te bezien. Hij speelt een mooi literair spel met zijn alter ego: hij laat zijn ‘slechte leerling’ inbreken als de ‘succesvolle docent’ wat al te lyrisch wordt.

(pg. 211) [de alter-Pennac] ‘Ik, een van mezelf vervreemde jongere met overgewicht?’
(O, god, daar heb je hem weer …)
[alter] ‘Wie heeft gezegd dat je namens mij mocht spreken?’
Ver­dorie, waarom ben ik ook over hem begonnen, over de slechte leer­ling die ik was, die onverbeterlijke herinnering aan mezelf? Ben ik eindelijk bij de laatste pagina’s aangekomen in de veron­derstelling dat hij me met rust liet sinds dat stuk over Maximilien, of daar is ie weer!
[alter] ‘Geef antwoord! Wie heeft je toestemming gegeven om te denken dat ik die hyperconsumerende leerling zou zijn geweest … als ik vijftien jaar geleden was geboren?’
… Goed daar gaan we dan. ‘En sinds wanneer heb ik jouw toestemming nodig om over wat dan ook te schrijven?’
[alter] ‘Sinds je uit je nek zit te kletsen over slechte leerlin­gen! Als het over slechte leerlingen gaat ben ík eerder de expert, zou ik zo denken!’

Die ‘van zichzelf vervreemde’ ‘hyperconsumerende leerling’ … Behalve een mooi verhaal, geeft Pennac een scherpe, eigenzinnige analyse van de toestand van het onderwijs (en de opvoeding) van vandaag de dag.

(pg. 205) Er bestaan in deze tijd vijf soorten kinderen op onze aardbol: het kind dat klant is – bij ons –, het producerende kind elders op de wereld, weer ergens anders de kindsoldaat, het pros­titutiekind en op de grote gewelfde borden in de metro het sterven­de kind dat met holle, hongerige verwaarloosde blik van tijd tot tijd op onze vermoeide blikken neerkijkt.
Alle vijf zijn het kinderen.
Alle vijf zijn ze tot instrument gemaakt.

Heel subtiel introduceert Pennac de grote boze wereld, de commercie, in zijn verhaal. En hij laat zien hoe die commercie jongeren tot kindklanten knecht.

(pg. 164) ‘Leraren, daar krijgen we wat van, meneer!’
‘Dat klopt, de leraren proberen je iets mee te geven.’

‘Nou gewoon! Al die dingen van ze die nergens over gaan!’

‘De leraren proberen jou iets mee te geven, omdat er al genoeg van je wordt afgepakt.’
‘Wat wordt er dan van me afgepakt?’
‘Wat heb jij daar aan je voeten?’
‘Aan mijn voeten? Dat zijn mijn N, meneer!’ (Denk hier aan de naam van het merk.)
‘Je wat?’
‘Mijn N, die heb ik aan!’
‘En wat zijn dat, N?’
‘Hoezo, wat zijn dat? Gewoon mijn N!’

Het vraaggesprekje schiet niet op. Met hulp uit de klas komen ze, via ‘sneaker’, ten langen leste op ‘schoenen’.

(pg. 166) … want de merken, … Ze proberen je iets af te nemen: dat zijn mijn N, dat is mijn L, het is mijn T, mijn dit, mijn dat! Ze pakken je hoofd van je af, je geld, ze pakken je woorden van je af, en ze pakken ook je lichaam van je af, als een uniform, ze maken wandelende reclamezuilen van jullie, net als plastic etalagepoppen in winkels!’

Vervolgens rekent Pennac voor wat een gemiddelde middelbare scholier aan geld aan en om het lijf heeft: € 800,00 p.p. en minstens eens per jaar geheel te ver­nieuwen. Een niet te versmaden doelgroep: kinderen als klant.

(pg. 205) En zoals hij in het laatste kwart van de negentiende eeuw aan de industriële maatschappij was ontrukt, zo werd hij honderd jaar later overgeleverd aan de markteconomie die een kindklant van hem maakte.

Aangezien geld zelden het gevolg is van persoonlijke prestatie, heeft de jonge koper … zonder tegenprestatie toegang tot bezit. … Hij vormt een enorm deel van de markt, …, zijn verlangens moeten net als die van zijn ouders voortdurend worden aangesproken en vernieuwd, zodat de machine blijft draaien.

Vanaf zijn eerste kinderverlangens.
Waarvan de vervulling wordt verondersteld evenredig te zijn aan de liefde die men voor zijn kind voelt.
Ook al proberen volwassenen zich ertegen te verweren, ze staan machteloos; zo gaat dat in de consumptiemaatschappij: van je kind houden (dat kind dat bij ons zó gewenst is dat zijn geboorte bij zijn ouders een bodemloze liefdesschuld creëert), betekent ook van zijn verlangens houden … aangezien het tonen van liefde wordt ver­taald in het kopen van spullen.

Voor alle duidelijkheid: ik probeer de kindklant in deze beschrij­ving niet voor te stellen als een verachtelijke en hersenloze hedo­nist, en ik predik ook geen terugkeer naar de gebreide trui van mama, …

Ieder tijdperk heeft een eigen taal voor liefde binnen een gezin. In onze tijd wordt die liefde uitgedrukt in de taal van spullen.

Het wordt zo langzamerhand tijd voor de aap om uit de mouw te komen: waarom loopt het onderwijs tegenwoordig zo stroef?

(pg. 209) … waar … de … leraar van deze tijd niet op voorbereid is, is de confrontatie met een klas vol kindklanten. … En als leraar voelt hij niet de liefdesschuld die zijn vaderhart beroert. De leerling is niet gewenst in de zin dat hij de leden van het onder­wijsteam doet smelten van dankbaarheid. … hier worden geen opper­vlakkige verlangens beantwoord met cadeaus, hier worden fun­damen­tele behoeften bevredigd met verplichtingen. … en voor de jonge klant is het geen prettig vooruitzicht zich te moeten bezig­hou­den met behoeften ten koste van zijn verlangens: hij moet zijn hoofd leegmaken om zijn geest te ontwikkelen, zich loskoppelen van zijn elektronica om zich met kennis in verbinding te stellen. … En dan moet hij er ook nog iets voor dóén, voor die schoolkennis, ter­wijl de bevrediging van zijn verlangens hem nergens toe ver­plicht! … Want de paradox van het gratis onderwijs … is … dat het … onderwijs de enige plek in de consumptiemaatschappij is gebleven waar de kindklant met zijn persoon moet betalen, zich moet voegen in het principe ‘voor wat hoort wat’: …

Waarom zou hij de status van commerciële volwassene inruilen voor de positie van gehoorzame leerling, die hij infantiliserend vindt. Waarom zou hij de school iets gaan betalen in een samenleving waar­in hij van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat allerhande surro­ga­ten voor kennis gratis aangeboden krijgt in de vorm van ervarin­gen en uitwisselingen? … Waarom zou hij die centrale posi­tie ruilen voor een stoel in deklas?

[Ik] zou de ideale prooi zijn geweest voor een maatschappij die het voor elkaar heeft gekregen: het creëren van jongeren met overge­wicht door ze van hun eigen lichaam te laten vervreemden.

Eerder in het boek geeft Pennac een beeld van een ‘goede leerkracht’, wat hij wel of niet zou moeten doen, en hij schetst onder welke omstandigheden en voor­waar­den lessen succesvol kunnen zijn. Hij geeft voorbeelden van didactische ‘trucs’, prachtige trucs die werken. Want een enkele keer lukt het me om zoiets in een basisschoolklas te laten gebeuren.

  • begin de les in ernst door het opnoemen van de leerlingnamen al serieus te nemen (pg. 97).
  • streef naar stilte en concentratie, bv. door in het moeilijke middaguur te laten luisteren naar de geluiden van de stad (pg. 99).
    Ik moet de eerste klas nog tegenkomen die hierop getraind lijkt te zijn. Een dag start bijna per definitie in herrie. Maar ooit was een spontane meditatie een heel bijzondere, fijne ervaring.
  • doe vervelingsoefeningen (om het verstrijken van de tijd te laten ervaren) (pg. 123).
  • maak dictees, gebaseerd op gebeurtenissen in de klas; laat een leerling een dictee bedenken; laat opstellen uit hogere klas nakijken (pg. 101).
  • laat literaire teksten uit het hoofd leren, een per week, en doe er leuke wedstrijdjes mee (pg. 109).
  • laat als huiswerk een eindexamenopgave (met de verantwoording) bedenken (pg. 125).
  • waardeer onzinantwoorden (want niks begrepen) nóóit met een cijfer (het salaris van de leerling) (pg. 127).

Als ik het goed begrijp vindt Pennac dat een docent zich helemaal, met hart en ziel, in de stof moet storten om daardoor de leerling te kunnen bereiken.

(pg. 88) … [Het] heeft mij ervan overtuigd dat ik leerlingen alleen moet aanspreken in de taal van de stof die ik onderwees. Bang voor grammatica? Dan gaan we ontleden! Geen zin om te lezen? Dan gaan we lezen!

Psychologische bemoeienis, hoe goed bedoeld ook, is meestal vrij zinloos.

en
(pg. 92) We moeten ons beperken tot wat we aanvankelijk hadden besloten: dat grammatica-uur is een luchtbel in de tijd. Mijn werk bestaat eruit te zorgen dat mijn leerlingen tijdens die vijfen­vijftig minuten het gevoel hebben dat ze in grammaticaal opzicht bestaan.

Allemaal niet verkeerd natuurlijk maar hier ben ik het toch niet helemaal met Pennacs opvattingen eens. Wat Pennac mist is de totale omwenteling in het school­systeem. Hij schrijft dan wel:

(pg. 81) ‘Het wordt toch niks, dat zei ik toch al. School is niks voor mij.’
(Dat is een nationaal debat, beste knul, dat bijna al een eeuw gaande is. Je moest eens weten hoe ze elkaar op de Olympus van het onderwijs in de haren vliegen over de vraag of de school er voor jóú is, of dat jij er voor de school bent.)

maar het klinkt allemaal nogal aanbod-gestuurd. Hij stelt hierboven de fundamen­tele vraag naar de zin van ‘school’ en de reden om te willen leren maar geeft geen antwoord. Dat antwoord is misschien te vinden bij een andere Fransman: Celestin Freinet. Die is mijns inziens de enige onderwijsvernieuwer (± 1920) die antwoor­den heeft op de vraag waarom kinderen (willen) leren en de manier waarop de school, als instituut, hierbij kan helpen in plaats van de vlam te doven. Maar ‘de tijden zijn veranderd’ … en misschien zijn middelbare scholieren al zo vervreemd van zichzelf dat de aanpak van Freinet niet zomaar zal werken. In 2014 deed ik een poginkje om mijn eigen ervaringen met deze vorm van onderwijs op een basisschool te beschrijven. De Weerenschool en Freinet is het inleidende stukje op twintig blogjes. Eerder bromde ik over mijn invalwerk in Invalmeester I en verder. In Gedrag van … ging ik al eerder tekeer.

Ik ben niet van plan om het hele boek over te typen. Zodoende schiet ik tekort. Ga het zelf maar lezen, van kaft tot kaft. Ik genoot bijvoorbeeld van de diepgra­vende taal- en menskundige analyse van ‘het’ in ‘Het wordt toch niks.’ (pg. 81 en 129), van ‘er’ in ‘We kunnen er niks aan doen.’ (pg. 135) en van ‘Ik deed het niet expres’ (pg. 137). En er is meer: leerlingen waarmee het niet goed kwam, de taalverloedering (vermeend of echt), het zwartepietenspel in het onder­wijs etc.

Pennac sluit Schoolpijn af met een prachtig beeld.

(pg. 218) Een metafoor dus.
Terug naar Vercors.
Een ochtend, afgelopen september.
De eerste dagen van september.
Ik was laat in slaap gevallen terwijl ik aan dit boek aan het werken was. Ik werd wakker en wilde gauw weer verdergaan. … een subtiel kabaal weerhield me ervan. Een gekrijs rondom mijn huis. Gepiep van ontelbaar veel vogels, doordringend en tegelijk zo ijl. O ja, de zwaluwen gaan er weer vandoor! … In hitchcockiaanse troe­pen komen ze uit het noorden, om koers te zetten naar het zuiden. En dat zijn precies de richtingen waar onze slaapkamer op uit­kijkt: noord en zuid. Een zolderraampje op het noorden, een dubbel raam op het zuiden. En ieder jaar weer hetzelfde drama: misleid door die twee ramen achter elkaar, vliegt een flink aantal zwalu­wen tegen het zolderraam aan. Deze ochtend kan ik het schrijven wel vergeten. Ik zet het zolderraampje en de dubbele ramen open, spring weer in bed, en de hele ochtend kijken we toe hoe eskaders van zwaluwen door ons kamertje vliegen. … [Naast] het dubbele raam [zitten] nog twee smalle verticale raampjes die dicht blijven. … Toch is het altijd weer raak, er zijn altijd drie of vier idioten die op die dichte raampjes afvliegen! Dat zijn onze probleemgeval­len. … Pok! Buiten westen op het tapijt. Dan staat een van ons tweeën op, pakt de wezenloze zwaluw – hij weegt bijna niks, een paar botjes vol wind – laat hem even bijkomen en stuurt hem weer naar zijn vrien­den. …
Men mag die metafoor nemen voor wat hij waard is, maar dit is waar de liefde in het onderwijs op lijkt wanneer onze leerlingen als gek geworden vogels vliegen. … een rits verbrijzelde zwaluwen uit hun coma proberen te halen. … soms lukt het ons niet een weg uit te stippelen, sommigen komen niet meer bij … Die vogeltjes blijven in ons bewustzijn achter als de gaten vol schuldgevoel waar de dode zwaluwen … in onze tuin begraven liggen, maar we proberen het steeds opnieuw. … Het zijn ònze leerlingen.

Alleen jammer dat het soms een beetje zoeken is in dit verhaal dat qua inhoud en boodschap het midden houdt tussen literatuur en … educatie van onderwijzers.

Plaats een reactie