?

Griezelig, gek en toch leuk

Ik was zes jaar, zeven of zo toen mijn vader vertelde dat hij en zijn vriend ‘oom’ Joop waren neergestort met een vliegtuigje en daarbij dodelijk verongelukten.
Hè? Dat kon niet waar zijn. Maar behalve dat laatste detail was er een superspannend verhaal aan vooraf gegaan.

Tot op de dag van vandaag doe ik het graag: kinderen op de kast of in de boom jagen, op het verkeerde been zetten met fantastische vertellingen. Mijn eigen kin­de­ren, de kinderen van kennissen en buren en de leer­lin­gen van mijn invalbeurten. Ik probeer het wel netjes en binnen de perken te houden.
Ik denk dat ik dat vlieg- en neerstortverhaal voor het eerst zelf heb verteld bij een kampvuur, bij de pad­vin­ders. Het was daar min of meer traditie om af en toe te griezelen. En zodoende had ik behoefte aan meer.
Voor de overige ‘klantjes’ wachtte ik liefst op een leuke aanleiding, een goede gelegenheid. Bij een meerdaagse schoolreis past het Schierverhaal, eind novem­ber is er vast reden om over Sinterklaas te kleppen, een inbraak of bankroof vraagt om de waterman met vriendje Gerrit ter Weel.
Alle verhalen beginnen doodnormaal, zeer aannemelijk, saai zelfs. Ik maakte ‘het’ gewoon mee, ging iets doen. Dan wordt het zaak om vlaggen te zetten, zorgwekkende signaaltjes te geven. Langzaam maar zeker loopt de zaak volledig uit de rails om bizar te eindigen.

Het is nergens voor nodig maar best leuk – en ook een flinke klus – om een en ander eens op te schrijven. En publiceren op de site … Ach ja.
Misschien dat iemand het leuk vindt om de kinderen in zijn of haar buurt in de maling te nemen. Attentie: gewoon voorlezen gaat niet werken. De verhalen moeten levensecht verteld worden. Alle details moeten aangepast worden aan de eigen situatie.
Tot nu toe heb ik zeven verhalen. Ik werk nog aan vier eigen en drie geleende exemplaren.
1. Neerstorten
2. Artis
3. Schiermonnikoog
4. Beroving
5. De waterman
6. Sinterklaas op zolder
7. De houten poot
8. Het drugslab

1 Neerstorten

Aanleiding: een vliegtuigongeluk, vliegtuigje dat overkomt, rondvlucht, …
Eigenlijk kan ik dit verhaal niet vertellen. Waarom, dat wordt wel duidelijk aan het eind van mijn verhaal.

Basisschool

Lang geleden was ik onderwijzer op een school in Amsterdam-Noord: de heel bijzondere Weerenschool. Mijn collega-schoolmeester Paul was gepassioneerd zweefvlieger. Ik heb hem weleens naar zijn vliegclub in Zeeuws-Vlaanderen gebracht. Hij zat er liefst de hele zomervakantie. Maar Paul wilde eigenlijk hoger­op en jaagde op alle mogelijke brevet­ten. Straaljagerpiloot kon hij niet worden want hij was kleurenblind. Stuntvlieger was een goede tweede. Ik dacht stiekem: ik wil een keer mee als het zover is.

Computertrainingen

Na jaren onderwijs werd ik computertrainer. Ik reisde door het hele land en kwam bij vele bedrijven over de vloer. Bij de International Aviation Authority in Hoofddorp komt daar plotseling cursist Paul binnen!
Hij moest kleine vliegtuigen testen op luchtwaardigheid: Cessna’s, Piper Cups maar ook de Lear Jet. Tijdens de lunchbabbel heb ik gevraagd of ik mee mocht met zo’n testvlucht. Tsja, dat kon hij echt niet zelf beslissen en het was zeker niet gebruikelijk. Maar niet geschoten is altijd mis.
Na een week of drie kreeg ik een tele­foontje: ‘of ik nog wilde?’. Bij grote uitzon­de­ring mocht het maar alleen onder bepaalde voorwaarden. Corrie en ik moesten bijvoorbeeld een verklaring tekenen dat we de IAA nooit aansprakelijk zouden stellen voor wat dan ook. En ik moest naar Hoofddorp komen voor een pittige medische test bij de bedrijfsarts. Paul voegde er fijntjes aan toe: “En zelf moet je een portie durf meenemen.” Parachutespringen hoefde ik niet te kunnen want er waren toch geen parachutes. Eind november zou het gaan gebeuren.

Testvlucht

Bijna viel het prachtplan in duigen. Op de gekozen dag joeg er een waanzinnige storm over zowat heel West-Europa. Om zes uur ‘s ochtends kreeg ik een telefoontje dat er niet gevlogen werd. Maar met de IAA en mijn school lukte het gelukkig om het feest een dag op te schuiven.
Ik moest me vroeg in de ochtend melden op Schiphol-Oost. Eerst werden er nog wat laatste dingetjes geregeld. Er stond een tweemotorige Cessna aan de rand van het platform. Ik voel nu nog altijd mijn knikkende knietjes toen we erheen liepen. Het toestelletje was volgepakt met meetapparatuur.
Van Paul mocht ik kiezen: testen boven de Noordzee of naar Zuid Duitsland omdat het een dunbevolkt gebied is. De zee was dichtbij maar volgens Paul veel saaier dan de bergen. Ik ging dus voor de Alpen. Het woei nog flink dus de start en de vlucht waren al spannend genoeg. Na twee uur zaten we boven de be­sneeuw­de bergtoppen.
Paul vroeg: “Zit je goed in je gordels? Ben je er klaar voor?” Nog voordat ik een kik kon geven ging de neus van de Cessna omhoog en begonnen we loodrecht te stijgen. En toen terug in duikvlucht. Mijn oren tuutten en ik zag sterretjes. Je kunt vliegen op je linker en op de rechter zijkant. Paul draaide helemaal rond zodat we ondersteboven hingen. En dat ging over in een meervoudige looping. Uiteindelijk trok Paul het vliegtuig recht. “We zijn er nog niet hoor. Er komen nog wat motorische tests.” We gingen vliegen op één motor, eerst de linker, dan rechts, en vervolgens minuten glijvlucht op helemaal geen motor. En dat allemaal met in- en ook met uitgeklapt landingsgestel. Ondertussen gingen we steeds verder de Alpen in. Soms kwamen we gevaarlijk dicht langs bergwanden.

De brug

Plotseling was het gestunt over; we vlogen stabiel rechtuit. Zonder wat te zeggen wees Paul in de verte. Het duurde even voordat ik het begreep. Een hoge brug in een spoorlijn was ingestort, waarschijnlijk als gevolg van de storm van de afge­lo­pen nacht. Het puin lag deels nog in de kolkende rivier. Paul riep de lucht­ver­keersleiding in München op en vertelde wat hij zag. Na vijf minuten werden wij opgeroepen. De IC München – Belgrado kon niet bereikt worden. De verwachting was dat hij in ± 35 minuten bij de brug zou zijn.

De trein

Van testgrapperij was natuurlijk geen sprake meer. We volgden de spoorbaan in de richting van de trein om te waarschuwen.
Na tien minuten kwam de trein, een loc met tien wagons, in zicht. Maar wat nu verder te doen? We vlogen een keer heen en terug over de trein. Dat hielp natuurlijk niet. Paul bedacht: we gaan laag naast de trein vliegen en signalen geven. Dat betekende wel levensgevaarlijke manoeuvres, vlak langs de grond. Ik trok mijn jack uit en ging wapperen. Mensen in de trein zagen ons wel maar begrepen het niet. Ze zwaaiden terug, ze wezen op hun voorhoofd. Ook de machi­nist was niets duidelijk te maken. Af en toe waren we de trein een tijdje kwijt vanwege een tunnel.
Toen zei Paul: “Ik weet nog maar één ding. We vliegen terug naar de brug, we landen en dan zien we wel hoe we kunnen waarschuwen.” Als Paul het zei … Hij kon uitstekend vliegen dus hopelijk ook goed landen.

De landing

De situatie bij brug was natuurlijk niet veran­derd. Ik hoopte stiekem dat we het verkeerd hadden gezien. Maar nee. Het spoor kwam om een vrij scherpe bocht, ging dan 350 m rechtuit en daarna kwam de brug waarvan alles na de tweede pijler ingestort was.
Met een dun stemmetje zei Paul: “Zullen we?” “Als jij denkt dat het kan …”, antwoordde ik.
Paul verkende het tracé twee keer, vlak boven de grond en een metertje vanaf de bergwand. Toen begon hij aan de ‘landing’ op de spoorbaan.
Het werd een totale catastrofe. Ondanks de minimale snelheid werden we op de bielsen door elkaar geschud. Eerst braken de wielen af – of trok Paul het lan­dings­gestel in om beter te glijden? Toen sloegen de propellers stuk en daarna gingen ook de vleugels. Ik raakte buiten westen …
Duurde het twee, drie minuten? Ik kwam bij en wist direct wat er aan de hand was. Het vliegtuig was doorgeschoven over de rails. We lagen half dwars over het spoor, drie meter voor de gapende afgrond van de ingestorte brug. Ineens keek ik de andere kant op … De trein kwam om de bergwand. Ik probeerde als een gek de deur van cockpit te openen. Het lukte niet; alles was verwrongen. Ik beukte op de ruit, zonder resultaat want het was gelaagd vliegtuigglas.
Daar kwam de trein. Na enkele seconden moet de machinist de situatie hebben begrepen want remmen gingen vol aan. Tenminste: dat moest wel want vanonder de wielen spatte een vonkenregen. Ik zag de trein als in vertraagde film op me afkomen. Maar … hij redde het …

Hij redde het wel en niet. Met een enorme dreun kwam de trein tegen het vlieg­tuigje tot stilstand. En daardoor werd het vliegtuig met Paul en mij over de rand gekegeld.
Wij kwamen 500 meter dieper in de rivier terecht maar de trein met passagiers was tenminste gered.

2 Artis

Aanleiding: dierentuinbezoek, Hanna dierverzorgster, een stevige sneeuwbui, een archeologische vondst, Jurassic Parc, …

Sarphatistraat

Tot en met mijn zesde jaar woonde ik driehoog in de Sarphatistraat; randje centrum van Amsterdam. Voor die tijd was het een drukke straat. Er reed een tram – met open achterbalkon – maar het nummer weet ik niet meer zeker. Ik gok lijn 10. Bijzonderheidje van die woonplek: bij ‘gunstige’ wind kon ik leeuwengebrul, wol­vengehuil en het trompetteren van de olifanten horen. Artis was dichtbij. De pauwen en brulapen maakten ook griezelige geluiden. Meestal was het in de ochtend of overdag. ‘s Avonds in bed vond ik het minder. Ik ging dingen verzinnen over die dieren in mijn kamer, onder het bed.

Artis

Toch vond ik Artis een prima plek. Ik kwam er vaak met mijn ouders. We hadden een abonnement.
Ik leerde sommige oppassers een beetje kennen en zij mij. De broer van mijn tante Pineke was oppasser bij de roofdierengalerij. Hij had regelmatig verstoten jonge dieren in huis, zelfs een leeuwtje. Ik mocht gaan kijken.
Mijn allerleukste herinnering: ik mocht een ritje maken op de jonge Murugan. Dat was de manne­tjes­olifant met de scheve slagtand die in 2003 is over­le­den. Ik kan me nog herinneren dat zijn haren in mijn blote benen prikten: zo hard als van een schrobbor­stel.

Enge plekken

Er waren twee plaatsen in Artis waar ik liever niet kwam.
Het nijlpaardenhuis was een oud, donker verblijf dat al lang niet bestaat. Mijn moeder zei altijd: “Ga nou niet naar binnen. Je weet wat er gaat gebeuren.” Dat was zo maar ik moest toch. In het midden was een bassin. Eromheen een muurtje van 30 cm hoog met daarop dikke ijzeren spijlen. Je zag bij bin­nenkomst eerst niks en het was er doodstil. Voetje voor voetje schuifelde ik voorzichtig dich­ter­bij. In het rimpelloos water lagen hier en daar groen­bruine klodders poep. Als voer ook halve kroppen sla of andijvie. En dan kwam totaal onverwacht een nijl­paard boven water. Vlak voor de spijlen met zijn gigantische muil opengesperd met enorme slag­tan­den. Naar mijn jongetjesidee een bek van wel een meter. Het was blijk­baar een aangeleerd kunstje. Ik vond het verschrikkelijk maar ik moest toch iedere keer gaan kijken.

[[Tijdens mijn verhalerij mogen de leerlingen best een beetje tekenen. Op het moment dat de nijlpaardenbek zich met een brul opent, krast het meiske naast me dwars over het papier. Vertellen werkt … ;-).]]

Op de andere enge plek, bij de ingang van het aquari­um, stonden twee witte beelden: een brontosaurus (?) en een tyrannosaurus rex. Vooral de tyrannosaurus rex was verschrikkelijk: een giga grote bek met grote punt­tan­den en akelige klauwpoten. De rottigheid was dat ik nooit wist wanneer je bij ze in de buurt kwam. Ik hup­pel­de een bochtje om en dan: beng! Stond ik oog in oog met de monsters. Ik vluchtte dan gauw terug naar pa of ma maar zei niks. Mijn vader had het in de gaten en heeft me ontzettend laten schrikken. Hij verstopte zich achter een vette achterpoot en sprong in beeld met een luid: “Grrrr.” Mijn moeder was kwaad op pa; gerechtig­heid.
Toen ik zes werd, mocht ik zelf in mijn uppie naar Artis, met het abonnement. Op een dag ontdekte ik dat achter de struiken bij de zij-ingang (alleen voor abonnement­hou­ders) het hek niet helemaal tot aan de muur doorliep. Voor de grap ben ik vaak naar binnen geglipt. Ik had toch de kaart bij me. Ik moest dan wel langs de beestenbeelden maar dat vond ik niet meer zo griezelig.

Later

In 1957 verhuisden we naar de Simon Stevinstraat. Artisbezoeken lagen toen minder voor de hand maar Artis bleef ‘mijn’ dierentuin. Ik volgde dus de vreem­de verhalen in de kranten en op de radio over verdwijnende dieren: eerst pin­guïns, later antilopen, … Soms waren er onherkenbare sporen, af en toe flink wat bloed en tekenen van strijd. Via die ‘oom’ kreeg ik te horen dat ze er niks van begrepen. Misschien was het diefstal, vandalisme, dierenmishandeling maar de daders waren nooit betrapt. Het gebeurde onregelmatig, soms tijden niet maar altijd in de wintermaanden.

Kweekschool

Met 18 jaar ging ik het ouderlijk huis uit: op mezelf naar Spaarndammerstraat in Amsterdam West. En ik begon aan mijn opleiding voor onderwijzer. Toevalligerwijs was dat de HPA aan de Plantage Middenlaan, net voorbij Artis. Naar en van school kwam ik dus altijd langs Artis, langs het hek van de tuin waar die beelden staan. Ik was toen dan wel 18 maar toch …
Voor biologie en tekenen gingen we regelmatig naar binnen. Ook de examens en sommige feesten vonden plaats in de zalen naast Artis.
Tijdens mijn tweede studiejaar werd ik bestuurslid van de Akademievereniging. Erg leuk. In het tweede jaar raakten we steeds beter bevriend met de directie. We organiseerden veel activiteiten: film- en boerenkoolavonden, we haalden landelijke politici binnen. In de derde kregen we zelfs de sleutel van het gebouw. We mochten ‘s avonds zo lang blijven als we wilden voor organisatie, stencillen, …
Dan fietste ik ‘s nachts laat langs Artis. Het was echt een donker stuk straat, slecht verlicht. Eerlijk gezegd: als ik voorbij de beelden gereden was, kreeg ik een griezelgevoel in mijn rug.

Beelden weg

De voorbereiding van twee studiedagen in februari was een huzarenstukje, een Olympische uitdaging. Ik ging om 03:30 als laatste weg. Er was geen mens meer op straat. Het was koud, guur, er viel natte sneeuw dus ik hield mijn hoofd laag. Ik fietste langs de Artistuin. Toen ik er al voorbij gefietst was, trok mijn maag samen. Er wás iets; er was iets helemaal mis.
Eerst reed ik door naar de hoek maar daar stopte ik. Ik wilde toch terug: wat was het dat me zo had doen schrikken? Ik zette mijn fiets op slot en ging lopend, vlak langs muur, terug. Daar begon het hek. Ik had weinig zicht door de sneeuw. Ik sloop langs het hek en toen zag ik het: de beelden stonden er niet!!!
Wat te doen? Er was geen mens te zien. Niks doen? De politie bellen? Waar, hoe? En dan vertellen dat …
Plotseling herinnerde ik me de opening in het hek. Zou die er nog zijn? Inder­daad. Zonder nadenken wurmde ik me erdoorheen. Het ging minder makkelijk dan toen maar ik was binnen. Ik dacht: “Waarom doe ik dit eigenlijk? Dit is foute boel.” Mijn oog viel op sporen in de natte sneeuwkledder. Hier was meer blijven liggen. Het waren pootafdrukken met het sleepspoor van een staart. Ze gingen naar links, langs de vogelkooien, richting paardenstallen en steenbokkenrots.
Ik was nou toch binnen dus ging ik verder. Zoveel mogelijk langs en onder strui­ken wegduikend, volgde ik het spoor. Even was ik het spoor kwijt omdat er te weinig sneeuw lag. Toen hoorde ik boven het gehuil van de wind uit geluiden: gesnuif, gebonk, … Het kwam van de steenbokkenberg. Ik sloop erheen en bleef toen aan de grond genageld staan. Ik kon zien hoe een witgrijs monster een steenbok van de berg sleurde. In het donker kon ik het vervolg niet goed zien.
Van verbazing vergat ik om in dekking te blijven. De tyrannosaurus rex had zich omgedraaid en ik voelde dat het mij zag. Langzaam, steeds sneller, kwam hij mijn kant op. Ik zette het op een hollen, terug naar het gat in het hek. In een scherpe bocht gleed ik onderuit in de blubber. Voordat ik weer op de been was, hoorde ik gesnuif boven me. Een warme, stinkende wolk adem veegde over me heen. Ik voelde iets in mijn zij en het donker spatte uiteen in hel licht …

Wakker

Op dat moment ging het licht in de slaapkamer aan en ik voelde een duw in mijn zij. Vaag drong de stem van Corrie tot me door. “Frans, hé Frans,” zei ze. “Wat lig je toch te woelen. Je mompelt aan een stuk door.”

3 Schiermonnikoog

Aanleiding: vakantie, meerdaagse schoolreisjes, vermissing, voodoo, …

Typering Schier

Ik weet echt niet meer hoe vaak ik op Schier­monnikoog geweest ben. Samen met Corrie, met de kinderen erbij, met hun vriendjes erbij. Het was het eiland van de grijze monniken (Cisterciënzers uit Dokkum, tot ± 1500), van een Duitse graaf vader Adolf en zoon Von Bensdorff (tot 1940) en daarna van Stachou­wer en Banck (van de Banckspolder) Het was het dorp van de walvisvaarders. In dorp staan twee kaken van een blauwe vinvis als poort. Het is het eiland zonder auto’s (maar niet helemaal).

Vele mooie herinneringen

Ik bewaar veel mooie en zoete herinneringen aan Schier. Het was mijn aller­eer­ste vakantie met Corrie, een paar dagen met Kerst; heel spannend. We logeer­den in Hotel Schiermonnikoog dat nu Bensdorff heet.
En ook de eerste vakantie met Hanna en Michal als resp. peuter en baby: drie hele en hete weken. Daarna volgden nog vele, vele keren.
Ik ken het eiland zo langzamerhand als mijn broekzak. Ik herken de huisjes van het enige dorp. Vele zijn bijna identiek want het is het eerste geplande dorp in Nederland. Het oorspronkelijke dorp was door de zee verzwol­gen. Ik ken de huizen langs de Badweg en in de duinen. Ik ken alle paden. Ik herken de vuurtoren aan zijn ritme: steeds vier flitsen per seconde en dan vier seconden zwarte rust.
Op Schier zag ik de mooiste regenboog van mijn leven, een koekoek en de grauwe kiekendief en eindeloos veel fazanten en konijnen. Ik beleefde er de allerwildste storm rond 5 december. De veerboot werd gewoon teruggeblazen tegen de steiger. Sinterklaas heet daar ‘Klozum’.

Mooiste plek maar …

Kortom: voor mij is Schier de prachtigste plek van Nederland. Het is vreemd dat er niet veel meer mensen heen gaan. Maar voor mij is dat prima want ik hou van de rust.
Het geringe bezoek schijnt ook te komen door het sfeertje, een sfeer van bijge­loof en vreemde verhalen. Dat lijkt te horen bij kleine gesloten gemeenschap met geheimen. Er gaan verhalen over Georgische krijgsgevangenen die in de Tweede Wereldoorlog op mysterieuze wijze verdwenen zijn. Nog altijd leven er vetes over wie toen goed of fout was.
Er is de speciale begraafplaats voor verdronkenen. Een deel van de graven is alleen maar een gedenksteen omdat het lichaam van de zeeman nooit gevonden is. Boze tongen beweren dat sommigen daarvan helemaal niet verdronken zijn.
Het oude strandhotel is verzwolgen door de zee …
En dan is (was) er het museum aan de Badweg. Er komen weinig bezoekers, het is er stoffig en er liggen ondefinieerbare dingen. Verontrustend.

Pinksteren druk <=> stil

Corrie en ik planden een nieuw Schierreisje, voor het eerst na Pinksteren, een midweekje. Pinksteren heet daar ‘Kallemooi’. Het ging nog helemaal niet zo makkelijk. Alles zou helemaal vol zitten. Pas na veel aandringen konden we terecht in Strandhotel Noderstraun, omdat we er al zo vaak geweest waren.
Wel vreemd dat de bus naar Lauwersoog bijna leeg was. En de boot was nage­noeg uitgestorven. Er zaten alleen wat eilanders die ons bozig en geïrriteerd aan­staar­den.
Het hele eiland was stil. Er was een vreemd sfeertje merkbaar onder de dorpe­lingen. Schijnbaar de echt enige andere toeristen: één klas op schoolreis.

Geheime plek, ritueel

Tijdens een dwaaltocht op de derde dag ging ik naar mijn ‘geheime’ plek. Het ligt in een gebied met veel steekvliegen maar als je erlangs bent … Het is een plekje met rare natuur. Ik zag er een merel met uitgroeisel op z’n kop, door klimplant overwoekerde bomen, een vogel die rochelende geluidjes maakte.
Dit keer hoorde ik iets anders: een soort ritmisch gemummel. Het was moeilijk te duiden in het geruis van de wind in de takken. Ik sloop voorzich­tig verder. Op de open plek zag ik een hoge paal met bovenop een rieten mand. In die mand zat een haan. Rondom de paal stonden mensen in grijze pijen: monniken? Ze wiegden heen en weer en zongen, mummelden ritmisch.
Na een minuut of vijf begon één monnik met een soort ritueel met allemaal poppetjes. Ze werden onder zand geschoven.
Van een afstandje ben ik blijven kijken. Het was heel vreemd! Misschien was er toch iets waar van alle rare verhalen? Ik ging stilletjes terug. Wat te denken?

Avonden, zon, maan, kampvuur

We hadden – werkelijk als enigen – steeds heerlijk gegeten op het terras van hotel Noderstraun aan het eind van de Badweg met uitzicht op een puntje zee. Het was wel fris. De vorige avonden waren mooi maar zon verdween op het laatste moment steeds achter een wolkenband. Daarna kregen we een prachtige maan, bijna vol.
Op stand zagen we steeds het kampvuur van die meerdaagse schoolreis. We hadden ze vaker gezien. Waarschijnlijk zaten ze in de enige kampeerboerderij op het eiland. Raar hoor: waarom alleen wij en zij wel en verder geen enkele toerist?
De laatste avond konden we de zon helemaal onder zien gaan. Ook de eilanders waren uit­gelopen om te kijken. Ik hoorde een tikkeltje nerveus gemompel als ze voorbijkwamen.
Toen het laatste sikkeltje van de zon ging zakken, gebeurde er iets geks. Er schoof iets voorlangs de zon. Het leek het silhouet van ouderwets galjoen of zoiets. Ik dacht: onzin, maar Corrie had het ook gezien.

Nachtwandeling

Tegen een uur of twaalf wilde ik in het maanlicht nog een wandeling maken. Het is de laatste avond. Corrie had geen zin. Ze ging naar bed om nog wat te lezen.
Het was doodstil, er stond zowat geen wind. Des te duidelijker hoorde ik het geschreeuw van scholeksters ‘te-twie, twie-te-twie’. … De vuurtoren verlichtte met felle strepen in de omgeving in het fletse maanlicht.
Via een smal paadje door duinen ging ik richting strand. Ik hoorde zingen van kinderen in de verte. Ik nam de tweede duinrand op een drafje …

Zeemist, galjoen

Wat ik toen zag was adembenemend: een ge­weldige muur van zeemist naderde de kust. Ik had dat weleens eerder meegemaakt, overdag tijdens een fietstocht. Die mist komt plotse­ling uit zee, is ijskoud en je ziet geen hand voor ogen.
De mistbank lichtte helderwit op in het maan­licht en kwam in snel tempo richting de kust. Hij slokte lichtbanen van de vuurtoren op. Ik dacht even de vormen van een galjoen te zien, nu vlak onder de kust. De mist rolde over de branding, het strand op, richting het kampvuur en de schoolklas. Het zingen smoorde, verstomde. Ik zag kolkingen in de mist.
Na ongeveer vijf minuten trok de mist zich terug, even snel als hij was gekomen. Het kampvuur en de kinderen waren verdwenen!!! Ik wist niks beters dan rechts­omkeer te maken.
Corrie lag al te slapen. Ik maakte haar wakker en vertelde wat ik had gezien. “Jaja, grappenmaker. Je hebt vast een jenevertje teveel genomen. Laat me slapen alsjeblieft.” Ik deed bijna geen oog dicht, moest de hele tijd denken aan wat er was gebeurd.

Slot

De volgende dag gingen we toch naar de kampeerboerderij om navraag te doen. We zagen niks van gasten: geen bagage, geen fietsen, helemaal niks. De baas pakte kwaad uit: “Wat we hier komen doen? Nee hoor, ik heb de hele week geen gasten gehad. En nou ga ik aan het werk.”
Het enige politiebureautje op het eiland was dicht, zoals vaker.
Met de middagboot gingen we terug naar Epe.
Als ik de volgende dag bel naar Noderstraun, de kampeerboerderij of het politie­bureau en mijn naam noem dan wordt de hoorn op de haak gegooid. Of ik krijg helemaal geen gehoor.
Ik volg de journaals, houd de kranten in de gaten maar niks … Geen woord over de verdwenen kinderen.

Als je op Schier komt, dan moet je maar eens naar het museumpje op de Badweg gaan.

4 Beroving

Aanleiding: gevaar op straat, criminele afrekening, …

Ik woonde in Amsterdam en zat op de Hervormde Pedagogische Akademie om onderwijzer te worden. ‘s Avonds ging ik vaak lang en laat uit.
Het was winter, januari, ijzig koud en dik na twaalven. Ik was naar een film geweest. Nu snel door naar mijn stamkroeg, vanwege de kou. Tussen twee grachten kon je afsteken door een steegje.
Ik liep langs een vuilcontainer en toen: “Je geld of je leven!” Ik dacht heel even aan een misselijk grapje maar dit was ernst: ik zag een figuur met een pistool.
Ik schrok me dood, dacht dat ik het loodje zou leggen. Van het tientje had ik na de bioscoop nog fl 1,20 over en dat gaf ik. “Sorry, meer geld heb ik niet bij me, echt.”
“Geen gelul! Kom op. Snel of ik maak je koud.”
“Echt waar; ik heb niks. Voel maar. Ik heb mijn portemonnee niet bij me, ik heb geen los geld.”
“Dan wil ik die jas.” Dat kon ik me voorstellen want hij had een zomerjackie aan. Ik trok m’n jas uit. Een heerlijk warme leren jas die ooit van mijn dikkige opa was geweest. De rover mopperde: “Nou, dit is wel een slobbermaat.”
“Je kunt niet alles hebben.”, grapte ik. “Niet slim gaan doen, jij. Bek dicht.”
Daar stonden we. “Nou, rot op man.” blafte hij.
“Mag ik nog even een sigaret. Die zitten in mijn jas, in de rechter zak.” “Okay.” “Mag ik een vuurtje? De aansteker zit aan de andere zak.” Vanwege de wind bogen we naar elkaar toe, handen om sigaret en aansteker. Hij stak er ook een op. Het was bijna een ‘gezellig’ moment.
Ik vroeg: “Waarom roof je? Waarom doe je dit?”
“Tsja, da’s een lang verhaal. En ik heb meer te doen. Rot nou maar op.”
“Nee echt. Ik wil het horen. Ga even mee naar de kroeg.”
“En je had geen geld.”
“Het is mijn stamkroeg. Ik kan er drinken op de pof.”
Onderweg begon hij al te vertellen.
Vijfentwintig jaar terug had hij een melkwinkel gehad. Met een schijntje geld was hij weggesaneerd. Met geleend geld was hij een boekhandel begonnen. Maar het was een slecht punt en dus ging hij failliet en bleef zitten met stevige schulden. Uit nood had hij een baantje gezocht: portier bij een groothandel in elektrische appara­ten. Zo merkte hij dat een collega spullen achteroverdrukte en dat dat heel makkelijk ging. Uiteindelijk werden ze gepakt. Het ging om een groot bedrag en hij draaide drie jaar de gevangenis in. Grof geweld had hij nooit gebruikt. Toen hij weer vrijkwam was zijn vrouw met een ander. Hij had alleen nog bajeskennissen en dat was niet bepaald prettig.
Inmiddels waren we bij mijn café aangekomen: De Rode Fazant aan de Marnix­straat.
De vraag van de aanwezigen lag voor de hand: “Wie heb je daar bij je.” Voor de grap – ik wist ook niet wat ik zeggen moest: “Mag ik jullie voorstellen: Piet Bandiet.” “Jaja. Grapjas. Nou, kom erbij. Het volgende rondje is voor mij.”
Het werd een gezellige avond. Die misdadiger bleek eigenlijk best een aardige vent te zijn.
Tegen sluitingstijd zei ik: “Nu even iets ernstigs. Mijn vriend hier zit aan de grond. Hij zit zonder geld, heeft geen huis, geen vrienden. Wij kunnen helpen. De pet gaat rond.” We haalden ongeveer 350 gulden op.
De dief kon het eerst niet geloven. Hij keek de kring rond, kreeg tranen in z’n ogen. Hij pakte het geld langzaam op en … Plotseling was hij weg.
Mijn jas had hij laten liggen. Ik holde nog naar buiten maar hij was al uit zicht. Ik trok de jas maar weer aan. Het was tenslotte koud. Toen voelde ik iets zwaars in m’n jaszak. Terug in de kroeg gaf ik het pistool aan de barman. “Misschien komt hij erom.” “Wat was dat voor een typ?” “Dat zei ik toch: een bandiet.”

5 De waterman

Aanleiding: medische experimenten of vindingen, ziekenhuisbezoek, bankroof, …

Beste mensen: ik wil dit verhaal wel vertellen maar het moet echt geheim blijven. Als het bekend wordt, betekent dat grote problemen voor mij en vooral voor mijn vriend Gerrit ter Weel.

Gerrit

In 1957, toen ik zes jaar oud was, verhuisde ik naar de Simon Stevinstraat in Amsterdam. Kort daarop kwamen er aan de overkant ook nieuwe mensen. Zoon Gerrit ter Weel werd mijn boezemvriend.
We voetbalden op diverse manieren, schoten pijltjes, gooiden stoeprandje. Meestal – heel vaak – won ik. Ook leuk was knutselen en prutsen en niet alleen met Lego. Ik kon dat wel aardig maar Gerrit was echt geniaal. Hij kon zowat alles uit elkaar halen èn weer in elkaar zetten zonder het kapot te maken. Hij ontwikkelde in de loop van de tijd een hele set van eigen gereedschapjes, rare maar heel handige spulletjes.
Na een jaar of vier jaar merkte ik vreemde dingen op. Tussen de huizen was een ‘gangpad’, afgesloten met hek en hangslot. Gerrit maakte het vlotjes open om er te spelen. Zijn vader had (als een van de weinigen) een auto. Gerrit maakte hem open om erin te spelen. Hé, dacht ik bij meer van dat soort dingen. Maar we deden nooit slechte dingen dus het had geen gevolgen.

Sloten

Toen we ongeveer 14 waren werd het toch een beetje vervelend. Als hij me af kwam halen, stond hij al binnen bij de trap. Ik betrapte hem erop dat hij mijn kast en mijn ‘geheimenkistje’ open had gemaakt. Toen ben ik er maar eens over gaan praten.
Zijn verhaal: “Ik kan niet van sloten afblijven. Ik moet ze open maken. Ik zal je een geheim vertellen: volgende week ga ik mijn eerste echte kraakje zetten.” Ik geloofde hem niet en sprak er niet meer over.
Maar in de loop van de tijd stonden er steeds mysterieuze inbraken in de krant. Het ging om kantoren, banken, kluizen etc. Er was blijkbaar nooit iets weg, er werd niks gestolen. De vermeende dader werd ‘de insluiper van Oost’ genoemd. Ik dacht: “Dat is Gerrit, kan niet missen.” Wat moest ik doen? Naar de politie? Toen heb ik met hem gebroken. Ik verhuisde (ging op mezelf wonen) en heb hem jaren niet meer gezien.

Het ziekenhuis

Na tiental jaren kreeg ik via mijn ouders plotseling een brief van Gerrit. Hij lag in het ziekenhuis en vroeg of ik hem kon helpen. Meteen schoot alles me weer te binnen. Ik dacht: “O jé … ‘helpen’. Met wat helpen?” Na een paar dagen twijfelen, ben ik toch gegaan. Mede vanwege dat ziekenhuisgedoe. Het werd een vreemd bezoek.
Gerrit had een vrij ernstig ongeluk gehad maar hij was nu aan de beterende hand. Hij lag alleen omdat ze een paar nieuwe technieken op hem hadden toege­past.
Eerst vertelde hij me dat hij een ‘net’ vak had gevonden, zijn neiging tot inbreken had onderdrukt en dat hij nooit was gepakt. Tijdens zijn ziekte had hij vaak voor het raam gelegen en zo had hij iets vreemds gemerkt / gezien. Hij moest en zou nu weten wat dat was, wat er speelde. Koste wat kost.
Iedere ochtend gingen drie of vier mensen naar een bijgebouwtje van het zieken­huis. Na de nodige gewichtigdoenerij werd de deur geopend. ‘s Middags speelde hetzelfde verhaal. ‘s Avonds en ‘s nachts werd de boel extra bewaakt. Ik keek naar buiten. Er was niks bijzonders met het gebouwtje, behalve dat er helemaal geen ramen in zaten.
Gerrit wilde dus weer eens inbreken en ik moest hem helpen want hij was nog bedlegerig. Het moest snel gebeuren want aan het eind van de week zou hij naar een revalidatiecentrum gaan.
Als ik wilde helpen (ik was de enige die van zijn neiging wist) moest ik de volgende avond om half negen (einde bezoekuur) komen. Hij had een goed plan.
Ik heb erg getwijfeld en slapen lukte niet. Het was maf maar ook een eer omdat hij me nog altijd vertrouwde. Het was ook pressie. Ik ging toch.

De inbraak

Om kwart over acht liep ik tegen de bezoekersstroom in. Een zuster maakte de opmerking: “Niet te lang meer.” Gerrit had een pakket voor me klaarliggen. “Heb ik geritseld. Ga je maar omkleden.” Het waren een doktersjas en -broek, een naamplaatje van ene dokter Koerselman, een pieper enz. Ik moest op Gerrits aanwijzing een rolstoel halen uit de koffieruimte.
Als we werden aangehouden dan zou het zijn: “We moeten naar een herhaald onderzoek. Het eerste is mislukt en er is spoed bij. De neuroloog is speciaal lang gebleven.” Het bed in de kamer maakten we op met kussens, het licht ging uit.
Ik hees Gerrit met moeite in de stoel. Met de lift naar de kelder ging nog simpel. Daarna werd het spannend. Ik vond het griezelig in die gekke, lange gangen. Het leek eerder een ontvoering dan een onderzoek, zo tussen de ketelruimtes, kas­ten en zo. Twee keer werden we bijna betrapt. De eerste keer konden we gelukkig wegduiken achter een losse deur. De tweede keer was het een buiten­land­se werknemer die alleen vriendelijk lachte. Na enig zoeken vonden we de juiste deur naar buiten. De drietreestrap was een hels karwei met die rolstoel.
Gedekt door de duisternis bereikten we ongezien het bijgebouw. Het was inmid­dels vijf voor negen. Door het zoeken hadden we vertraging opgelopen. We moesten nu eerst de wacht met hond voorbij laten gaan. Die kwam altijd om negen uur. Verstop maar eens een rolstoel in de struiken en met mij in mijn witte jas erbij. De hond snuffelde in onze richting.
Eindelijk stonden we bij de deur. Gerrit zei: “Potdorie, dit is het neusje van de zalm: een elektronisch slot. Ik hoop dat het me lukt binnen een kwartier. Ik ben uit training, weet je.”
Na tien minuten knoeien was de deur nog niet open. Ik zei: “Laten we terug­gaan.” “Nee nog even. Ik ben er bijna.” Na twaalf minuten lukte het. Op afstand hoorden we de bewaking al aankomen. Eenmaal binnen hebben we eerst in donker gewacht tot de beveiliger voorbij was. De minuten leken uren.

Het laboratorium

Na wat zoeken vonden we de lichtschakelaar. De ruimte leek een laboratorium maar ook een operatieruimte: grote lampen, een kast met messen, injectiespui­ten, meetinstrumenten. In een andere kast stonden potten met onbekende inhoud: korrels, stengels, vlokken. Het gekste was: de operatietafel was niet plat maar een soort kuip, een ondiep bad, compleet met kranen en een afvoer. Ik wilde weg.

Het aquarium

We zagen een tussendeur, zonder slot dit keer. We gingen naar binnen. Er was een vaag schijnsel. Aan de muur tegenover ons zagen we een soort aquarium, heel groot. Ik knipte het neonlicht aan. Een trap leidde naar een loopbrug langs de bovenrand van het bassin. Ik verwachtte ieder moment een haai of giga octopus. Met veel moeite sleepte ik Gerrit mee naar boven.
Er was niks te zien. Ik sloeg met mijn hand tegen het glas, toen op het water.
Toen, onderin, onder de planten bewoog iets. Het kwam langzaam omhoog. Mijn adem stokte. Het was een mens, een vent met een rare kleur en met lang haar. Hij kwam soepel, lenig omhoog. Stak zijn hoofd, z’n kop boven water. Toen dook hij weer onder. Ik dacht aan de ‘Man van Atlantis’. Na een paar tellen kwam hij weer boven. Ik zei stamelend: “Goedenavond”. Ik gaf een natte hand. Steeds weer ging hij even onder water. Toen maakte hij een gebaar van slapen. Hij ging definitief naar beneden en verstopte zich onder de planten.

Terug

Hoe we teruggekomen zijn weet ik werkelijk niet meer. Ik heb er nooit meer over gesproken maar nog wel vaak teruggedacht aan die wonderlijke figuur. Wie weet hoe vaak lag hij in de operatiekuip voor rare experimenten. Etend van korrels en vlokken.

6 Sinterklaas op zolder

Aanleiding: Sinterklaas, het Achterhuis, Home Alone, dingen kwijt, …

Samenwonen

In 1977 wilden Corrie en ik toch wel gaan samenwonen.
Overal in Nederland maar zeker in Amsterdam was er woningnood. Net als nu waren er te weinig huizen voor te veel zoekenden. Keer op keer liep het dus mis. Het leukst was een benedenverdieping met sousterrein geweest aan de Plantage Muidergracht. Maar nee. Ten einde raad zijn we zelfs op pad geweest om een huis te kopen aan de Archimedesweg of -laan. Dat plan werd getorpedeerd door ons beider vaders. En hun hulp hadden we echt nodig voor het geld.

De Frans van Mierisstraat 44

Ergens in oktober zei Corrie verheugd: “Heel misschien heb ik iets gevonden.”
Helemaal toevallig had ze een mogelijk lege verdieping gezien, verderop in de straat waar ze woonde, de Frans van Mierisstraat. Er hingen gore lakens voor de ramen. Vreemd genoeg stond de woning niet in de aanbiedingencentrale.
Corrie is bij buren gaan vragen hoe het zat, wie de verhuurder was. Dat gaf geen duidelijkheid. Ze kreeg vage antwoorden en knorrige reacties. Gewoon onvrien­de­lijk.
Mijn vader was makelaar. Hij kon via het kadaster uitzoeken wie de eigenaar was. De woning was inderdaad vrij maar een afspraak om te gaan kijken kostte veel moeite. Gelukkig stond mijn vader heel goed bekend in het huizenwereldje en dat hielp.
Het was een mooi, ruim en sfeervol huis in een goede buurt. Na de steile dubbe­le trap waren en twee kamers en suite met een tussenkamer en schuifdeuren, een zijkamertje aan de straat, keuken en waranda aan de tuinkant. Boven, na een binnentrap, een grote en kleine slaapkamer en een berghok. Maar was het er ook helemaal muf en stoffig en er stonden nog totaal ouderwetsige spullen, misschien van een voorvorige bewoner. Afgedopte buizen van de gasverlichting staken uit de versierde plafonds. Om een lang verhaal kort te maken: we wilden het graag huren.
De eigenaar was een heel typische man. Hij voerde echt rare bepalingen op in het huurcontract. Ik mocht bijvoorbeeld geen schoolklas aan huis beginnen. Misschien was dat omdat hij de vader was van de toenmalige minister van onderwijs en ik onderwijzer. En boven mocht ik absoluut niet verbouwen, wat ik ook helemaal niet van plan was. Mijn vader moest voor ƒ 2.500,00 borg staan. De kou was helemaal uit de lucht toen mijn vader aanbood om de keuken te laten renoveren, een douche te laten plaatsen en om een cv-verwarming te laten aanbrengen.

Huren

We huurden per november; de verhuizing planden we half december. Ik verhuis altijd in de kou. Maar we mochten per direct gaan opknappen.
Op aanraden van mijn vader hebben we er meteen een tafel, bed (stretcher met slaapzak) en stoel neer­gezet tegen kraken.
We hadden vier weken hard werken voor de boeg. Er zaten makkelijk tien lagen behang op de muren (met onderop oude kranten). We moesten echt alles schilderen, de oude troep en vieze vloerbedekking moesten weg.
Bij toeval had ik een ontmoeting met de buurvrouw van het benedenhuis. Het was een stokoud mensje in ouderwetse kleding. Ik stelde me vriendelijk voor. Het kribbige antwoord op een raar toontje: “Nieuwe huurder? Ja, dat zal wel. Nou, veel plezier daar.” Corrie opperde dat ze het misschien niet had op jongere mensen. Toen was ik nog een beetje jong ;-). Ik heb haar verder niet gezien maar had wel het gevoel dat ze ons in de gaten hield. Als ik naar buiten kwam, hoorde ik vaak een deur sluiten.

Klussen

Al klussend leerden we het huis beter kennen. Ik ont­dekte boven op de overloop een soort paneeltje, zo 50 bij 75 cm. Ik had eerst gedacht dat het een wand­betimmering was. Waarom niet in zo’n oud huis? Maar nee: het was een soort deurtje met schuiven of gren­dels erop. Dat waren tamelijk nieuwerwetse dingen overigens. Gek vond ik. Ik heb de grendels losge­maakt maar er was geen beweging in te krijgen, ook niet bij flink beuken. Het klonk hol. Toen pas viel het me op dat de bovenverdieping drie meter korter was dan beneden. Het deed me denken aan rare bepaling i.v.m. boven niet verbouwen. Maar verder heb ik er geen aandacht aan besteed want we hadden het veel te druk.
De volgende verrassing kwam toen we het zijkamertje onder handen namen. Het zou mijn werkkamer worden. Net als overal zaten er tien lagen behang. Dat moest eraf, ook van de deur van de vaste kast. Op het kale hout vonden we bovenaan een inscriptie: ‘… …e…ember 1879. Leve het geluk … Het genootschap van S …‘. Het was er waar­schijnlijk geschreven door de allereerste behanger. De hele tekst, maar vooral dag en maand waren vervaagd.
Na twee weken ploeteren, was de kruiskopschroevendraaier zomaar weg, hele­maal. Hij was nergens te vinden. En Corrie had hem echt niet gebruikt. Nou ja, komt vaker voor. Maar de volgende dag lag hij luid en duidelijk in zicht op de aanrecht. Ik had daar gezocht, dat wist ik zeker en het was erg rare plek. Toen herinnerde ik me ineens andere verplaatsingen van gereedschap. Vreemd …

Geluiden

Ik had die dag tot laat gewerkt, in mijn eentje. Corrie was niet thuis. Het was guur, goor winterweer dus ik besloot maar in de slaapzak te gaan slapen. Onver­wachts dus mijn eerste nacht in het nieuwe huis. In een ongezellig sfeertje: er hingen nog geen gordijnen, het was koud en de hoge boom voor huis kreunde in de wind.
Ik dutte een beetje weg. Toen hoorde ineens een ander geluid, een doffig gerom­mel, alsof er met spullen gesleept werd. Was dat die rare buurvrouw? Maar ‘s nachts?? Ik kon geluid niet echt plaatsen. Overdag heb je de bekende stads­ge­luiden maar ik bedacht me nu dat ik dat rare geluid eerder gehoord had. Soms dacht ik voetstappen op onze trap te horen maar er was natuurlijk niemand. En af en toe waren er ook weer dingen verplaatst of een dag weg.
Ik werd er best zenuwachtig van. Ik had ineens minder plezier in ons nieuwe huis.

De geheime werkplaats

Op 2 december, ruim een week voor verhuizing, na hard werken om het boven ook af te krijgen, zag ik voetstappen in het stof op de binnentrap. Het waren afdrukken met een vreemd profiel en niet in Corries maat. De voetstappen gingen heen en terug van het luikje naar de zijkamer beneden. De tekst op de deur in mijn werkkamer was overduidelijk weggeschuurd.
Nu was de maat was vol! Ik moest en zou weten wat dat paneel te betekenen had. Het werd nog een heftig gevecht maar met een breekijzer kreeg ik het luik stukje bij beetje uit de sponning.
Als reactie op het kabaal dat ik maakte, kwam er ook herrie vanachter het luik. Ik hoorde dat de benedenbuurvrouw aan onze binnendeur rammelde, bonkte. En de telefoon ging over.
Plotseling ging het luik zomaar open. Ik keek in een stikdonkere ruimte. Een zware stem zei: “Doe het licht maar aan jongens. We zijn toch ontdekt.”
Daar stond Sinterklaas met een tiental Pieten. In deze geheime opslagplaats troffen ze voorbereidingen voor pakjesavond.

7 De houten poot

Aanleiding: zelf op reis, eerste eigen vakantie, verregende vakantie, storm, Engels, …

Engels

In mijn tijd kreeg ik in de zesde klas van de lagere school twee uur Engels per week. Op de mulo was het een gewoon vak. In de derde klas sprak ik al best een aardig woordje over de grens. Ik vond het zelfs leuk. Eigenlijk wilde ik het weleens in het echt proberen.

Naar aunt Mary

Ik had kennissen in Noord-Engeland, in Schotland dus: uncle Steve en aunt Mary. Mijn moeder had voor en na de Tweede Wereldoorlog met Mary gecorrespon­deerd. Ik kende haar een beetje want aunt Mary was ooit bij ons geweest met een van de dochters, met Laura. Reden te meer om … Ik schreef een brief; e‑mail of appen bestond nog niet. En … ik mocht komen logeren. Logeren moest ook wel want ik had te weinig geld voor echte vakantie. Ik zou ook gaan mee­helpen op hun bedrijf: een bed and breakfast.

De reis

Vanwege de kosten heb ik de allergoedkoopste reis gezocht. Vliegen was uitge­sloten. Zonder Internet ging dat niet zo makkelijk. Uiteindelijk had ik het uitge­dok­terd: met de bus Amsterdam naar Oostende in België, met de boot over naar Dover. Dan met de trein via Londen naar Glasgow, daar nog een boemeltje en dan opgehaald worden door uncle Steve. Wel een allemachtig lange reis: ‘s avonds om elf uur weg, aankomst volgende avond om 20:30. Dus bijna 24 uur reizen.
Over de busreis valt weinig te melden. Op de nachtboot kon ik nauwelijks slapen; er was weinig te zien. Het werd een schommelende overtocht met de nodige spuugmensen; niet fris. Maar de aankomst bij het krieken van de dag in Dover was mooi: krijtrotsen in het vroege licht. Toen de trein in. Overstappen in Londen vereiste ook weer apart reisje met een lokale bus.
Halverwege Engeland kreeg ik er wel tabak van. Na verloop van tijd werd het weer ook slechter, typisch Engeland. In Glasgow hadden we al twee uur vertra­ging. Gelukkig haalde ik nog laatste trein naar Torclestone. En nou maar hopen dat Steve er nog zou zijn.
Het was ondertussen echt pokkenweer geworden: wind, veel regen. Dus hele troost dat uncle Steve op het station was. Hij was het wel gewend om geduldig te wachten. Het bleek toch dat mijn Engels veel minder was dan gedacht. Dat kwam ook door de vermoeidheid. Ik vond het allemaal niet zo heel erg leuk meer. En ik begreep dat het nog meer dan een uur rijden was. Raar voor een stukje van ongeveer dertig kilometer. Maar dat werd me al snel duidelijk. Na tien kilometer gingen we van de hoofdweg af. En na nog een stuk reden we een onverharde weg op. Nu bleek nut van de terreinauto van uncle Steve. Het zicht werd steeds slechter. Regen, nevel, wind. En wat er te zien was, leek me niet precies fraai. Rotsig, struiken, af en toe wat bomen. Verder niks. We zeiden niet veel meer. Honkebonkend reden we verder. Ik dacht zelfs dat we de weg kwijt waren.

Het kasteel

Geheel onverwacht doemde in het licht van de koplampen een gebouw op. Ik was ineens klaar wakker. Het was geen gewoon huis maar een soort kasteel. Niet zoals het Muiderslot natuurlijk maar toch goed groot. In de laatste slingerende honderdvijftig meter zag ik dan het ene, dan weer een ander stuk. Sommige stukken leken deels compleet vervallen.
Einde rit, we waren er en het was halftwaalf. Ik werd heel vriendelijk ontvangen door aunt Mary, Laura, Norma en Caren. We gingen naar de enorme woonkeuken om te eten, te drinken en te praten. Ik kwam weer een beetje bij. Zelfs zo dat ik nog geïnteresseerd was om het huis te bekijken. Daar waren we in half uurtje mee klaar, ondanks de wapens, harnassen en de schilderijen. Het leek me vreemd snel gezien de indruk die ik bij aankomst van het huis had gekregen. Toen we terug waren in de keuken, zei ik dat ook. Ik kreeg geen goed antwoord, ontwijkend. Ik hield aan. ‘Nou ja, het huis was inderdaad stukken groter dan wat we hadden bekeken maar daar deden ze niks mee. Ze kwamen er gewoon niet.’ Ik: “Jazeker, het zal er wel spoken.” Inderdaad was dat al jaren het verhaal. Zij hadden geen interes­se en ze geloofden het ook niet. “Waarom gaan jullie er dan niet heen.” “Tsja …” Ik: “Wat een dom gedoe. Ik wil er vannacht wel slapen. “Dat kan. Als je het wilt, moet je het maar doen.” Ik had ze blijkbaar een beetje kwaad gemaakt en ik voelde meteen dat ik niet meer terug kon.

De kamer

Ik probeerde onze babbel zo lang mogelijk te rekken maar uiteindelijk was het toch echt bedtijd. Uncle Steve en ik gingen op pad met zaklamp, een olielamp voor hele nacht en een slaapzak.
Nu namen we de andere kant vanuit hal. Het was duidelijk dat er in lange tijd niemand was geweest. Er hing een muffe geur, draden sliertten langs m’n hoofd.
Ergens – ik was allang de weg kwijt – gingen we een kamer in. “Dit is een oude slaapkamer. Alles staat er nog zoals toen we hier kwamen. Wel te rusten dappe­re Hollander.”
Ik ging op verkenning. Het was een hoge ruimte, alles was oud en viezig. Aan de muur hingen een soort gobelins: enorme geborduurde wandkleden. Er waren ramen maar er was geen uitzicht want er zaten luiken voor. Achter de luiken joelde en rukte de wind.
Ik ging met de slaapzak om me heen op het bed zitten. Ik bedacht om nog maar een nacht niet te slapen, nu omdat ik niet wilde of durfde. Ik luisterde naar de wind. …

Het geluid

Plotseling werd ik wakker. Blijkbaar was ik toch weggedoezeld. Ik lag over het bed met de slaapzak half over me heen. Waarom was ik ineens wakker gewor­den? Mijn hart klopte in mijn keel en ik hield mijn adem in. Ik had iets gehoord maar wat? Stond mijn oom misschien aan de deur om op stang te jagen, om te plagen? Buiten huilde nog steeds de storm.
In het geruis hoorde ik iets vreemds. Niet bij de deur of bij de ramen maar bij een muur met de gobelins. Iets leek daar te leven. Of was het gewoon de tocht. Weer dat geluid! Het was niet veel, nauwelijks te horen in gejoel van wind. Drie tikjes en dan dof. Tik-tik-tik-plok. En weer. Bij dat gobelin. Twee, drie keer achter elkaar. Ik moest weten wat het was.
Met grote stappen, sprongen bijna, ging ik naar het gobelin en met twee, drie rukken trok ik het van de muur. Toen zag ik wat het geluid was, waar het van­daan kwam. Het was een muis met één houten pootje. Angstig holde het weg naar zijn holletje: Tik-tik-tik-plok, tik-tik-tik-plok, tik-tik-tik-plok …

7 Het drugslab

Aanleiding: drugsvangst, drugslab, wietplantage, criminele afrekening, …

Amsterdam => Epe

In 1981 begon ik op een spiksplinternieuwe school in Epe. Het werd een moeilijke, zware tijd. Ons tweede kind, zoon Maarten, was net geboren. De voorbereidingen voor de start van de school hadden al enorm veel tijd gevraagd. We vertrokken van Amsterdam naar Epe maar we hadden er nog geen huis.
De eerste maand bi­vak­keerden we in een oud huisje op camping De Beek­horst. Eigenlijk was het geen doen met twee kleine kinderen. Onze spullen stonden nog in Amsterdam, we misten onze katten. Het huisje was super-vochtig. Ik kreeg last van mijn rug, werd ziek, ik kreeg koorts.
Het was ongeveer 20 minuten fietsen naar school over een akelig pad langs het voormalig spoorlijntje. ‘s Avonds was het er stikdonker. Als ik te langzaam fietste, had ik totaal geen zicht. Ik ben me een keer lam geschrokken van een koe die plotseling opstond. Gelukkig mochten we toen de auto van zwager Noud lenen. Dat was het eerste lichtpuntje sinds lange tijd.

Woning in bos

Er kwam een tweede lichtje in de duisternis. Ik was erg blij dat een ouder van school mogelijk iets geregeld had om te wonen. Het was weliswaar tijdelijk, voor een paar maanden, maar toch. Volgens Meta was het echt iets bijzonders. Een huisje buiten het dorp Epe, in het bos, een verbouwd boerderijtje op het landgoed Soerel. Ze had een afspraak gemaakt met de eigenaar. Het moest ‘s avonds. Meta zei: “Rij maar achter me aan.”
Vanaf onze camping gingen we het dorp door en aan de andere kant het dorp uit. We namen rechtsaf de N309 (de Soerelseweg), 15 minuten rijden … Ergens in het nergens deed ze haar knipperlicht naar links aan, hù? We minderen vaart en gingen, pats, een bospad in. Honke-bonkend reden we een kleine tien minuten verder. Ineens zag ik het schijnsel van verlichte ramen. In het stikke donker was het moeilijk om een indruk te krijgen van het huis maar het was flink groot.
De ontvangst verliep heel merkwaardig, nogal vervelend. Er zaten vier, vijf mannen in de kamer. Een kerel met een kaal hoofd, tatoeages en in camouflage­kleding stond op. Hij nam Meta apart in een andere kamer. Door de deur hoorde ik het gesprek op ruzietoon; de man het meest, af en toe kwam Meta er tussen­door. Ik dacht: “Voor mij hoeft dit niet, op deze manier.” Plotseling veranderde de toon en er werd zelfs gelachen. Ik wilde Meta niet teleurstellen dus ik ging toch akkoord met een rondleiding, voor de vorm.
We gingen weer verder het bos in. Het laatste stukje was een modderig pad, toen een hek, een grindpad en tenslotte een boerderijtje met een rieten dak. Binnen zag het er heel aardig uit. Het was in z’n geheel niet groot maar de huis­kamer was ruim met een open keuken en een grote open haard. Beneden was er nog een slaapkamer. Een steile trap leidde naar boven. Je kwam op een over­loop­je, een slaapkamertje met schuin dak. Het leek er erg klein, kleiner dan het oppervlak beneden. “Of ik belangstelling had?” Het alternatief – nog weken of maanden in dat vakantiehuisje – was heel slecht. Dus … “Ja.”
Er volgde een gesprek met die man en Meta, nu redelijk kalm. Hij zou een con­tract opstellen maar wilde er verder niks mee te maken hebben. Hij zei tegen Meta nog iets als: “De gevolgen zijn voor jou.” en “Je moet het zelf maar weten.” En tegen mij op dreigende toon: “Je moet je strikt aan de contractbepalingen houden.” Het werd een gedetailleerde waslijst: geen chemicaliën in toilet, hek ‘s nachts altijd dicht, na twaalven niet van het terrein af, … Maar ook: de vol­gen­de dag (tijdelijk) direct eruit als dat werd opgedragen.

De Herdershoeve

De Herdershoeve, zoals het boerderijtje heette, was een verademing in vergelijking met de camping. We hebben wat meer eigen spullen opgehaald uit Amsterdam. Ook de katten Vogeltje, Pouwtje en Sacha kwamen mee. Vooral oude stadskat Vogeltje genoot van het buitenleven. Een nieuw rampje uit die tijd: Maarten moest een paar weken naar het ziekenhuis in Zwolle. En een boodschap doen in Epe kostte makkelijk één uur.
Het werd herfst met veel somber weer. Buiten wonen was niet zo makkelijk en zorgeloos als ik gedacht had. Het was ook stil en geïsoleerd. En de problemen op school rezen al snel de pan uit.
Overdag met de auto naar de Herdershoeve ging oké maar ‘s avonds was het een linke onderneming. De afslag van de N309 was gewoon gevaarlijk. Ooit was er iemand gegrepen. Zelf reed ik een keer tien meter te ver en kwam zo voor de bomen te staan, dwars over de weg waar vaak harder dan honderd gereden werd. Levensgevaarlijk. En dan dat laatste stuk blubberpad van 200 meter met slingers.

Soerel

Inmiddels was ik weg van de school, ontslagen, met Kerst al. Heel triest maar het ging echt niet. Na een paar weken rust en bijkomen kon ik weer een beetje om me heen kijken.
Ik ben Jasper gaan helpen. Hij was de vriendelijkste van de mannen in het grote huis. Eigenlijk hing hij er een beetje bij. Hij leerde me de geiten en schapen verzorgen die in de stal naast het huis gehouden werden. Ik ging Biks voeren, hooi uitstrooien en mest scheppen. De lammetjes en jonge geitjes waren aller­liefst. Ik heb zelfs leren melken.
In het voorjaar ben ik Soerel verder gaan verkennen, lopend en op de fiets. Je kon er uren rondzwalken zonder iemand tegen te komen. En zodoende ‘ontdekte’ ik helemaal achterin het landgoed een schuur bij de Buys Ballotweg. Het was een nogal oud en vervallen ding en nergens op een landkaart te vinden, ook niet op de gedetailleerde legerkaarten die ik had gekocht. Des te gekker was dat er een hoog, modern hek omheen stond. Ik zag zware bandensporen; niet van de trek­ker van Jasper maar ze moesten wel van een fikse vrachtauto zijn.
Behalve heel soms een wandelaar kwam ik in het bos twee lokalo’s tegen. De eerste was een bosarbeider. Hij was kreupelhout aan het uitdunnen. Een gesprek wilde niet echt lukken. Hij sprak bijna onverstaanbaar, spoog om de haverklap in het rond en toen ik over de Herdershoeve begon volgde een kakelend grinniken.
Niet heel vreemd dat ik af en toe de boswachter tegenkwam. Maar ‘boswachter’? Hij reed rond in een Humvee, droeg een camouflagepak en had een extreem geweer. Hij leek eerder een commando van de Blauwe Baretten.

Mijn familie

Ik moet hier eerst even iets over vertellen over mijn familie Van Zelm. Ooit trouwden twee heren Van Zelm met twee dames Groen. Beide stellen kregen veel kinderen, meer dan tien. Die kinderen en de neven en nichten vertoonden opmerkelijk veel gelijkenis. Mijn vader werd bijvoorbeeld een keer verward met zijn homo-neef. Hoe kon die nou getrouwd zijn en kinderen hebben?
Wijzelf hadden weinig contact met de hele rest van de Van Zelmen. Om de een of andere reden hield mijn vader liever de nodige afstand. Ik wist bij aanvang dus niet dat er ook een tak van de familie in Epe woonde. Maar er was zelfs een Van Zelmstraat, een straatje waar je niet bepaald trots op kon zijn.

Vreemde dingen

Gelukkig werd het een heerlijk voorjaar. Ik was er wel aan toe.
Ik genoot op het drukke terras van ijssalon Roberto van een heerlijke coup. En daar kreeg ik een duw in mijn rug. De Rambo schoof snel een envelop in mijn tas, liep naar een motor, een zware chopper en knet­ter­de weg. Minder dan een minuut later zag ik twee tafeltjes verderop een soort ‘dubbelganger’ opstaan. Hij had met zijn rug naar mij toe gezeten. Ik dacht meteen aan die neef van mijn vader.
Pas thuis durfde ik in mijn tas te kijken. Op de dikke envelop stond wel degelijk ‘Van Zelm’. En hij zat vol met … geld: ƒ 650.000. Ik zei niks tegen Corrie en ik durfde niet naar de politie.
Er gebeurde meer. Een klein stukje tuin was omgewoeld. Voor zwijnen was het gat eigenlijk te diep en het hek was dicht geweest, toch? Het leek wel of er gegraven was.
Een keer kregen we de opdracht om twee dagen afwezig te zijn. Na terugkomst leek er niks van onze spullen aangeraakt te zijn. Maar hier en daar waren vage voetsporen te zien.

Het incident

‘s Nachts om 03:00 uur was ik nog aan het lezen in een spannende detective. Er werd op de deur geklopt. Mijn hart sloeg in mijn keel en drie keer over. Nadat ik het licht uit had gedaan, werd er weer en nu harder geklopt. Niks doen had geen zin dus ik sloop met de aks (grote bijl) achter mijn rug naar de deur. “Wie is daar?” “Doe snel open maar laat het licht uit.”
Het was een man in legeruniform met zwarte vegen op zijn gezicht: een com­man­do of zo iemand van een arrestatieteam. Alsof hij het huis kende, schoof hij snel alle gordijnen dicht en knipte het kleinste schemerlampje aan. Na een ‘ssst, of ik maar kalm wilde blijven’, begon hij zijn verhaal.
“Luister en luister goed. We zitten al maanden achter een grote drugsbende aan, hier in Epe. Misschien de grootste van Europa. Ze zitten ook op Soerel. Een zekere Van Zelm is erbij betrokken als koerier. We denken, we hebben ontdekt dat jij zijn ‘dubbelganger’ bent. Zij weten dat van die dubbelganger dus niet maar wel dat je hier zit. We willen dat je meespeelt. Ik ben vanaf nu je contact­persoon …” “Hou even op, man. Mag ìk nu wat zeggen?” “…” “Ik heb hier echt al wel rare dingen meegemaakt maar dit is totale kul. En ik doe het gewoon niet. Definitief, punt uit.” Na een korte stilte en een zuur lachje: “Ik vráág het je niet; ik zèg het je. Als je niet meewerkt en niet op ons vertrouwt, ben je er zo geweest. En dan breng je je vrouw en je kinderen in levensgevaar.” Hij was even stil. Toen: “Goed. Ik zit hier al te lang. Kijk dagelijks in de kippenschuur in het middelste broedhok voor je opdrachten. Als er een blauw veegje op zit, komt het van ons. Als niet, dan is het van de groep. En je doet gewoon wat er staat.”

Gekke opdrachten

In de weken erna kreeg ik rare opdrachten. Ik moest naar Herkenbosch met een zware weekendtas, af te leveren in een kist in een kapelletje bij een klooster. Naar Schiphol om zo’n vette geldenvelop in een kluisje te stoppen. Ik moest bellen naar een nummer in de VS en een onbegrijpelijke boodschap doorgeven aan een zekere ‘Blue Harold’.

Het grote transport

Toen ik terugreed van een wildakker waar ik gecyclomaaid had, stond die com­mando op het pad. “Van Zelm, we gaan een stapje verder. Je moet in actie! Volgende week donderdag wordt een partij XTC en heroïne opgehaald bij de Buys Ballotschuur. Jij moet er zijn en je gaat mee met het transport. Je wordt gezen­derd zodat we je met een heli kunnen volgen om de volgende schakel in hun netwerk te vinden. Dan zit jouw taak er hier op. Je zult wel opgelucht zijn.” “Puh. Ben ik even blij … En wat moet ik doen na de aflevering? Hoe kom ik weg, hoe ga ik weer terug?” “Dat mag je zelf bedenken, slimmerik. Ons plan A heeft daar niet in voorzien.” “En wat is plan B?” “Zeg ik niet maar ik hoop niet dat dat moet gebeuren. En nou weg, rijden. Ze moeten je niet gaan missen.”

De schuur

Van woensdag op donderdag heb ik slecht geslapen. De hele dag gebeurde er niks. Toen de schemering was ingevallen, kwam er plotseling een jongedame binnen. Ze had een pakketje met kleren bij zich. “Omkleden. De zendertjes zitten er al in. Het is jouw maatje, hoor. Over drie kwartier moet je bij de schuur zijn.” En weg was ze.
Het hek van de schuur stond nu open, voor het eerst. Er stonden twee 10-tons vrachtauto’s en er liepen mannen rond. Ik werd naar de schuur gewenkt.
Binnen zag het er oud en smerig uit. Een stuk naar achteren zat een groot luik in de vloer waaruit licht straalde. Naast een trap zag ik iets dat leek op een hijsin­stal­latie.
Ik moest naar beneden en wat ik daar zag was misschien het grootste drugslab van Europa. Een ruimte van twee meter hoog, makkelijk tien breed en de achter­kant was niet zichtbaar door alle apparatuur. Er waren zo’n twintig mannen druk bezig met pallets en heftrucs.
Aan de linkerkant zaten kamertjes achter een glaswand. Daar moest ik heen maar voordat ik er was, hoorde ik geschreeuw en lawaai achter me. Ik draaide me om en … Daar stond mijn dubbelganger van het Roberto-terras te schreeu­wen en gebaren. Ik was betrapt; ze hadden het door!
Waarschijnlijk hadden het arrestatieteam en de ME meegeluisterd. Plan B trad in werking. Met harde knallen explodeerden her en der in het plafond de lucht­roosters. Langs touwen viel de ene na de andere commando naar beneden. En van de trap stormden een man of tien naar beneden.
Het eerste schot viel en daarna volgde van twee kanten een regen van kogels. Mijn kleding was blijkbaar niet kogelwerend en ik werd doorzeefd …

Dit is allemaal nooit bekend gemaakt want het was de grootste blunder van de Nederlandse drugsrecherche ooit.

2 Responses to “Griezelig, gek en toch leuk”

  1. Ellen Smal Says:

    Ha Frans,
    Mooie verhalen schrijf jij. Je hebt wat je noemt een rijke fantasie; het zal voor de kinderen in je klas leuk geweest zijn om jou als leraar te krijgen.
    In de Houten poot staat: ‘op de nachtboot geslapen’ Kijk er maar even naar.
    Maar verder niets dan lof hoor. Ik moest echt lachen om sommige beschrijvingen.

  2. Frans Says:

    Dag Ellen,
    Dank voor je compliment. Als ik weer eens kwam invallen werd er soms naar een nieuw verhaal gevraagd. “Goed, maar alleen als jullie beloven me te geloven. Niet gaan mekkeren dat het niet kan.” ;-).
    Foutloos schrijven … Ook na dertig rivisies is het nog niet helemaal gelukt.

Plaats een reactie