?

De Weeren en Freinet IV

Op mijn verzoek schreef Miekee Kijne, partner van Goof Donkersloot, in 2016 drie stukjes: over de start van de Weerenschool, over methodeboekjes en over het kinderleven.

Maar eerst moet mij iets anders van het hart: Goof Donkersloot overleed op 27 januari 2016.

Door de jaren heen hadden Corrie en ik af en toe contact met Goof en Miekee. Zo maakte Miekee in 2005 de illustraties bij een dichtbundeltje van Corrie. Een logeer­derij – met kinderen, kou, kampvuur en al – is geheel zoek in mijn ge­heu­gen.
Tijdens een gegeven telefoongesprek werd het me duidelijk dat het hen beiden niet zo goed ging. Bij alle narigheid, ben ik achteraf gezien blij dat ik een beetje van nut heb kunnen zijn in prakti­sche zin.

In de Freinet Nieuwsbrief 198 van februari 2016 verscheen onderstaand in me­mo­riam.

Goof Donkersloot, 1935 – 2016

Op 27 januari overleed Goof Donkersloot. Op de rouwbrief stond onder zijn naam afgedrukt: onderwijzer.

Dat was Goof niet alleen voor de kinderen die hij onderwees op de freinet­scholen in Amsterdam en Malden. Ook voor veel freinetwerkers was hij een ‘leermeester’ en inspirator. Op de crematie op 2 februari in Assen werd nog eens duidelijk hoe waardevol Goof het inhoudelijk gesprek met de kinderen achtte; hoe hij hen hielp bij het begrij­pen van de wereld en het geven van handvaten om met die wereld aan de slag te gaan.

Maar ook werd helder hoe moeilijk het was om de niet gebaande paden te volgen en daarover met volwassenen, die dat niet wilden of konden begrij­pen, in gesprek te blijven. Goof was een drijvende kracht achter de Nederlandse Beweging van Freinetwerkers, de ‘Amsterdamse groep’. Hij had contacten met Franse freinetwerkers, publiceerde veel achtergrondartikelen en praktijkbeschrijvingen in de contactbrieven (voorlopers van Freinet­nieuws), vertaalde teksten van Freinet en mengde zich in het onderwijs­debat. Hij vertaalde onder andere Mémento d’Ecole Moderne en Le texte libre.

Samen met zijn vrouw Miekee Kijne en een wisselende kleine groep bestuur­sleden zette hij zich in de jaren 70 en begin jaren 80 in om meer mensen te betrekken bij de beweging. Er werden jaarplannen gemaakt, boekjes gedrukt en (druk-) materialen verhandeld om het freinetwerk in de praktijk mogelijk te maken. Via de Stichting De Moderne School werden deze beschikbaar gesteld voor belangstellenden.

Maar makkelijk was dat niet. In een notitie van Goof over verantwoordelijk­heid beschrijft hij hoe groot de investering is en hoe weinig dat soms ople­vert: ‘het werk van die stichting is in het geheel niet boeiend: het bijhouden van giro en kasboek, douaneformaliteiten, rekeningen, telefoontjes, belas­tingen afdragen, verzenden. Om niet te spreken van drukken, tikken, nieten, e.d. Als dat het gezamenlijke werk zou steunen zou het wel te doen zijn, en een zekere voldoening geven. Maar niet als b.v.: je een hele woensdag­mid­dag op school gevraagd wordt om uitvoerig voor te lichten over letters en drukpersen en om werkkaarten op te zoeken, en aan het eind als ik vraag of ze lid willen worden van de Freinetbeweging, hoor: Nee, daar gaat zoveel tijd in zitten. (…)’.

Goof gaf die tijd wel. En voor al die tijd en alle denkkracht die hij gaf aan het freinetonderwijs is de Freinetbeweging Goof Donkersloot dankbaar. In memoriam.

Bij de condoleance her-ontmoette ik Lodewijk en Mimi Bergsma en Marjolein Buré, Freinetters van het tweede of derde uur; toen – zo 1980 – Groninger studenten. Net zoals ik, dachten – herdenken – ze Goof als leermeester, inspira­tor, als dwars- en doordenker. En soms als niet zo makkelijk. En opnieuw – ter zijde – blijkt mijn geheugen grote gatenkaas te zijn. Het zou zo zijn geweest dat zij bij mij stage liepen … Wat die hospitanten nog over mij weten ;-).
Freinet werd het dus niet in het Nederlandse onderwijs. Tant pis … Paarlen voor de zwijnen, voor onze kenniskomkommereconomie. Keer op keer hoor en lees ik over ‘revolutionaire ontwikkelingen’: Iederwijs, de Democratische school. Dan denk ik dat wij, Freinetters, toentertijd het meeste al binnen hadden. Montessori, Jena­plan, de Vrije school … Allemaal helemaal mooi maar minder fundamenteel mooi dan Freinet (en Goof).
Nog een staartje: misschien dat ik Miekee kan helpen met het verwerken van al Goofs denksels en maaksels. Waar moet dat heen …?
Ik zal echt nooit ophouden te denken aan Goofs opvattingen over onderwijs aan schoolkinderen en over de vaderlijke omgang met eigen kinders. Die van mij kenden Goof niet maar ze hebben heus een tik van de Freinet-Goof-molen ;-).

En nu wat Miekee schreef …

De Weerenschool

De Weerenschool is in 1966 begonnen met een groep kinderen in het gebouw van de katholieke Jenaplanschool De Bieënkorf in de nieuwe wijk Buikslotermeer. Die groep stond dat jaar onder leiding van Dinie Sorgdrager-Kassies.
De Stichting Hervormde scholen die de nieuwe school opende, begreep dat ze tegenover de Jenaplanschool een ander progressief concept moesten stellen en benoemde Goof Donkersloot als hoofd omdat hij zo’n concept vorm kon geven vanuit de Freinetpedagogie.
Maar binnen het bestuur van de stichting stonden enkelen sceptisch tegenover de mogelijkheden zodat de steun van bovenaf nooit van harte was: een van de rede­nen van de moeizame groei van de school. Alles werd toch steeds weer ter dis­cus­sie gesteld en vergeleken met de resultaten van de Jenaplanschool. Goof begon samen met Dinie in september 1967 in het nieuwe gebouw aan de Zilver­berg. Het jaar daarop kwam Ans Grotendorst erbij voor de derde groep.
In juli 1971 hield Dinie op met werken omdat haar gezin meer aandacht vroeg. Het jaar daarop verhuisde ze naar Veenendaal. Voor haar in de plaats kwam Arno Korte­kaas.
De school groeide in de vol­gen­de jaren naar vijf groepen.
De Buikslotermeer was in wezen een doorgangswijk. De bewoners kwamen uit de oude wijken van Amsterdam en verhuisden daarna door naar nieuwe wijken in Purmerend, Heerhugowaard en later Almere.
Daardoor was de eerste klas vaak groot en nam het aantal leerlingen in de vol­gen­de klassen steeds af.
Dat de kinderen van de gecombineerde katholieke en protestantse kleuterschool kwamen die bij de katholieke school stond en waarmee de samenwerking niet vanzelfsprekend was, gaf ook problemen.

De school stond wel in de belangstelling van buitenaf.
Co van Calcar, die in de oude wijken van Amsterdam een onderwijsvernieuwings­project leidde, had veel contact met Goof en liet zijn medewerkers stagelopen op de Weerenschool.
De Volksuniversiteit van Bergen (NH) gaf jaarlijkse onderwijswerkweken voor stu­den­ten pedagogiek en ontwikkelingspsychologie van de Universiteit van Groningen onder leiding van Gerben van der Meer (Bergen) en Anton van de Wissel (Gronin­gen). Bezoeken en stages van die studenten aan de Weerenschool stonden op het programma.
En de school was het centrum voor een groep Freinetleraren uit diverse scholen in Amsterdam. Die groep werd gesteund door andere Freinetscholen in Nederland en door collega’s van de Franse Freinetbeweging, die in zomervakanties hun ervaring overdroegen.

Werken binnen de Freinetpedagogie is een kwestie van lange adem. Er zijn geen onmiddellijke spectaculaire resultaten behalve dat de kinderen vrijwel allemaal merkbaar met plezier naar school gaan, met meer interesse tegenover de bui­ten­wereld staan en onderling veel minder problemen hebben.
Het schoolplein was te zien vanuit de omringende flatgebouwen en de leerkrach­ten kregen vaak complimenten over het gedrag van de kinderen tijdens de pau­zes en voor en na schooltijd. Er was geen gekrijs, gen gepest en er waren geen ruzies.

Maar voor de ontwikkeling van allerlei schoolse vaardigheden werd meer tijd uitge­trokken. Niet alle kinderen konden na een half jaar lezen of schrijven.
Het positieve gevolg was wel dat iedereen het binnen een à anderhalf jaar wèl kon en dat er geen leerlingen naar het buitengewoon onderwijs hoefden.
Het eerste commentaar was dan: “Ja, de school is prima voor de ‘moeilijk lerende’ kinderen.” Toen bleek dat een aantal kinderen veel vlugger vooruit­kwa­men dan gemiddeld en de meesten het later in het vervolgonderwijs goed deden, was het tweede commentaar: “Ja, de school is prima voor slimme kinderen van hoogop­ge­leide ouders.”
De resultaten van de Freinetpedagogie zijn juist gestoeld op de samenwerking van kinderen uit verschillende milieus en met verschillend gerichte intelligentie, waarbij je dan diverse bijdragen en oplossingen samen met hen ordent en daar­door de samenhang leert ontdekken.
Misschien werd er meer dan gemiddeld vertrouwen verwacht van de ouders en bestuur en misschien was dat juist teveel gevraagd van een doorstroombevolking die ook z’n kinderen hoger op de ladder wil hebben en meer competitief is inge­steld en prestatiegericht is.

Wat was er fout met ons?
Dat gezamenlijke proces neemt ontzettend veel tijd (hoewel de kinderen er ook in getraind raken) en dan blijft er vaak te weinig tijd over voor het individueel verwerken van wat er ontdekt is en voor de controle van het effect wat zo’n groepsproces op ieder persoonlijk heeft. Daar kom je dan soms te laat achter.
Ook hebben we te weinig met de ouders samengewerkt. We hadden het idee dat de kinderen toch eigenlijk van ons waren.

Methodeboekjes

[N.a.v. een opmerking in een van mijn eerdere Freinetverhaaltjes.]
Goof heeft nooit de schoolmethodes uit het raam gegooid want dat zou beteke­nen dat hij ze eerder wel had gebruikt, maar dat was niet zo. Ze zijn er in de Weeren­school nooit geweest.
Wèl stonden in de bibliotheek presentexemplaren van alle mogelijke lees-, taal- en rekenmethodes waarvan collega’s gebruik konden maken als ze een overzicht zochten of zich nog onzeker voelden.
Goof heeft überhaupt maar één keer in zijn tijd als onderwijzer een methode gebruikt, dat was in zijn eerste jaar in Nieuwe Wetering in 1956. Toen liet hij het hoofd van de school een nieuwe, globale leesmethode aanschaffen. Dat was overigens zonde van het geld want hij heeft de boekjes maar een jaar gebruikt. Daarna verving hij ze al door zelfgemaakt materiaal, teksten van de kinderen en later de drukpers.
Zelfs in zijn eerste eigen klas na de kweekschool, een derde klas in Vlaardingen in ’54-’55, gebruikte hij de aanwezige methodeboekjes niet. Nu is dat met kinde­ren van 8 jaar ook niet zo nodig. Ze kunnen lezen, schrijven en rekenen en je kunt dat verder gebruiken en uitbreiden met boeken, verhalen en veel prakti­sche toepassingen in meten en wegen, koken, timmeren, verzorgen van planten, maken van plattegronden, spelen en muziek. Kinderen van 8 zijn voor alles te porren en enthousiast te krijgen.
En wat ze verwacht worden te leren, beheers je als onderwijzer goed genoeg na een goede middelbare school en pabo.

De zin van een kinderleven

Je hebt me ooit gevraagd wat voor mij de essentie was van de Freinetbeweging.

Voor mij is de waarde en zin van een kinderleven het centrale thema.
Ieder mens is vanaf zijn geboorte een persoon binnen een omgeving van mensen, dingen en natuur. Het leven van die persoon heeft vanaf het begin in iedere periode een eigen inhoud en zin binnen een groter geheel.

Toen ik 15 was las ik een boek waarin o.a. een jongeman van 20 jaar sterft. Zijn vader zegt dan tegen een vriend, die innerlijk protesteert tegen deze dood: “Het leven van Knut is voller en rijker geweest dan dat van menige zestigjarige. Hij heeft kreeftjes gevangen, stenen gezocht en onderzocht, een erts gevonden, hij heeft fluit gespeeld, gedanst en gezongen, trektochten gemaakt, vrienden gehad en een eigen plaats ingenomen in het gezin en ook in de stad.”

Toen ik dat las, vroeg ik mij af hoe ik tot dan toe geleefd had, en nam ik me voor de rest van mijn leven te letten op de zin en inhoud van wat ik deed. En later heb ik daar met onze kinderen vanaf het begin op gelet. Het gaat om directe, zinvolle, echte ervaringen.
Die zin en inhoud is moeilijk te vinden wanneer kinderen in leeftijdsgroepen in hokken worden gezet om zich voor te bereiden op een eventueel “LATER”.

De Freinetbeweging heeft “technieken”, werkwijzen, ontwikkeld om een omge­ving vorm te geven waarin een serieus maatschappelijke en een actief kennis­ver­wer­vend en creatief leven voor alle soorten kinderen mogelijk is.
Het probleem blijft dat de gedachte uitging van een evolutie van de oude school naar een nieuwe leef- en leeromgeving. In dat proces blijkt toch meestal de oude school te winnen door de nieuwe vormen in te kapselen in didactische trucs en onschadelijke ‘projecten’ en een denken voor de kinderen.

Miekee, mijn dank!

Plaats een reactie