?

Gedrag van kinderen

Dit is tak 1 van Gedrag van …

Zie voor:

Algemene beschouwingen (eerst lezen s.v.p.): Gedrag van …
Tak 2: Gedrag van volwassenen
Tak 3: Gedrag van onderwijzers (staat nog in de steigers)
Tak 4: Gedrag van de overheid (idem)

Inleiding

Ik sta weliswaar niet vaak voor de klas maar misschien juist daardoor vallen bepaalde zaken me des te meer op. Als het je dagelijks brood is, raak je gewend aan bepaalde verschijn­selen en kun je je het niet veroorloven om te twijfelen aan het systeem. Ik, slechts invaller, hoef me geen zorgen te maken over de aan­staande rapportbesprekingen, de open dag en de naschoolse opvang.

Casus

Zie ik, zie ik wat zij niet zien? Wat zie ik dan?

Allereerst is er het wonder dat die kinderen überhaupt naar school komen. Ja, wat moeten ze anders? Maar stel dat ze in opstand kwamen … Fons Jansen had ooit een conference met de naam ‘Kinderen aller landen, verenigt u’. Die was nogal oubollig en meer gericht tegen ouders dan tegen het onderwijs. Nog altijd klinkt zijn oproep goed. Ik hoop bijvoorbeeld dat het scholierenprotest tegen de ‘ophok­uren’ tot iets moois leidt.
Tweede mirakel is dat kinderen, als ze eenmaal tussen vier muren zitten, dat ze dan braaf hun werk maken. Terwijl zij er, volgens mij, geen idee van hebben waar ze eigenlijk mee bezig zijn. Bij sommige lessen bekruipt me een flink schuld­gevoel want ik ben degeen die het ze aandoet, omwille van het rooster en de methode­boekjes. Kubieke centimeters omrekenen naar kwartieren in spoor­tijd, wederkerige werkwoorden in de onvoltooid verwaterde tijd, het paargedrag van sponzen in de bronstijd. Wat een tijden! In de klas maak ik er altijd wel wat van; ook ik zit ge­van­gen in de mallemolen. Maar het is opvallend hoe de sfeer in een groep helemaal omslaat als er iets gebeurt wat echt hun interesse heeft. Dan gaat het misschien ook om onzinnige dingen maar … ze willen ‘het’ ineens zelf echt weten.
Het derde dat opvalt, zijn de verdedigingstactieken, vluchtroutes en chicanes. Niks mense­lijks is een kind vreemd en tot op zekere hoogte valt het best te pruimen. In de Gedrag van … schreef ik al dat de sfeer er in enkele groepen toch zwaar onder te lijden heeft. Richting schoolwerk voelt het dan alsof ik aan een dood paard trek. Op sociaal vlak herbeleef ik de Hoekse en Kabeljauwse twisten; Joegoslavië anno 1990 speelt zich voor mijn ogen af in kinderformaat.
Kindformaat … groot formaat, oftewel: jong geleerd, oud gedaan. Om twee rede­nen kijk ik af en toe naar ‘Wegpiraten’ en ‘Keek op de weg’. Het is nuttig om te zien hoe mijn mede­weggebruikers zich soms gedragen: een gewaarschuwd mens telt voor twee. Minstens zo interessant zijn de uitvluchten en verwijten van de pot dat de ketel zwart ziet. Men reed 180 omdat … omdat ze zich zo opge­jaagd voelden door de videoauto. In trainingen maak ik het aan den lijve trou­wens ook wel mee: volwassen mensen met kleuterkwalen. Lees de blog De cursist is koning.

Vraag

Valt ‘moeilijk gedrag’ de kinderen eigenlijk wel aan te rekenen, zijnde het merk­waardig product van (ouders + omgeving + televisie)^3? In de psychiatrie heerste een tijd lang de opvatting dat alle ziektebeelden het gevolg waren van aanwijsbare missers in de opvoeding. Daar is men erop terug gekomen. Deze opvatting bleek niet (helemaal) waar en je had weinig aan zo’n insteek. Uitein­de­lijk moet de patiënt toch zelf onder het mes. Zo geredeneerd hebben kinderen weliswaar geen schuld aan hun eigen gedrag; je moet het toch aanpakken.

Waarnemingen

Het is niet meer dan logisch dat ik als onderwijzer af en toe ‘op moet treden’. Hier­onder een staalkaart van smoezen, uitvluchten, duikgedrag, stokerij en achterklap waar ik mee te maken krijg. Met eventueel een overweging en een standaardre­pliek. Ik heb me erop getraind.

Toch houd ik vol: kinderen zijn aardig en les geven is leuk! Op een paar uitzon­de­ringen na.

1 Naar de leerkracht
1.1 De grote vier
De grote vier uitvluchten om onder een terechtwijzing uit te komen, om de aandacht af te leiden, om een probleem complex te maken. Wat zou het een maatschappelijke zegen zijn als medeburgers zo rond hun tiende jaar van deze stomme smoezen genezen waren.
Als het werkelijk niet wil in een groep, neem ik er apart de tijd voor om vrien­de­lijk uit te leggen dat ze bij mij, na dertig jaar onderwijspraktijk, niet aan moeten komen met deze flauwekul. Dat ze dat beter kunnen bewaren voor een nieuwe­ling of, misschien nog fijner (voor henzelf), dat ze er maar helemaal mee stoppen.
1. “Maar hij begon.”
In veel gevallen is het een onbegonnen zaak om te achterhalen ‘wie begon’. Je komt terecht in een moeras van halve waarheden, hele misverstanden en lang­lopende vetes.
Repliek 1: “Het is de grote kunst om met vervelend gedoe te stoppen. En nog mooier zou het zijn als jij met leuke, aardige dingen begint.” In ernstige gevallen voeg ik er wel eens aan toe: “Grote mensen doen het wel eens andersom. Wat je dan krijgt, zie je bijvoorbeeld in Irak.”
Repliek 2 (in nog ernstiger gevallen): “Ja, alles is vast en zeker de schuld van een ander. Om te beginnen is het de schuld van je ouders dat je op de wereld gekomen bent. En zo kan ik nog een hele poos doorgaan. Jij waarschijnlijk ook; je doet niet anders. Maar ooit zul je toch zelf de verantwoordelijkheid moeten nemen voor je gedrag. Of ga je door met afschuiven tot je dertig bent.”
2. “Maar hij doet het ook.”
Zo oud als de weg naar Rome, zo rot als een mispel en uiterst populair bij jong en oud.
Repliek 1 tot en met 3: “Doe jij alle domme dingen van anderen na?” “Mag een dief inbreken omdat er nog meer dieven zijn?” “Het is al vervelend genoeg dat één het doet.”
Repliek 4: “Wat attent, wat zorgzaam dat je ook voor de belangen van een klasgenoot opkomt. Ik zal hem te gelegener tijd onder handen nemen. Maak jij je nou eerst eens zorgen om je eigen problemen.”
3. “Maar het was voor de grap.”
Vaak gehoord bij het plagen / treiteren van een mede­leerling.
Repliek: “Blijkbaar snap jij niet wat een ‘grap’ is. Da’s jammer. Het kenmerk van een echte grap: die wordt door dader èn slachtoffer leuk gevonden.”
4. “Maar ik deed het niet expres.”
Deze smoes wordt gebezigd, bijvoorbeeld als bij woest voetballen de bal voor de tiende keer over het hek gaat.
Repliek: “Het zou er nog eens bij moeten komen dat je het expres deed.” En dan volgt er een natuurkundelesje oorzaak – gevolg, actie – reactie.
Een enkele keer gaat de domme handeling gepaard met ‘domme pech’. Echt gebeurd: een kiezelsteen wordt met opzet vlak voorlangs een auto gegooid, ketst geheel per ongeluk tegen een lantarenpaal en raakt vervolgens toch de auto. Dan past de repliek: “Was het maar expres geweest want dat zou nog getuigen van buitengewone gaven.”
1.2 Potje meestertje plagen
“Wie is die man die hier ineens komt vertellen wat er gedaan moet worden; hoe ik me moet gedragen?” Ik probeer hiermee, met die terechte gedachte, rekening te houden als ik ergens mijn neus laat zien. Wel is het jammer dat die vraag bij sommigen uitdraait op ‘uitproberen’.
Het is natuurlijk reuze spannend om op andere plaatsen te gaan zitten, een andere naam op te schrijven of zelfs in andermans schrift te gaan werken. Dat laatste getuigt van de nodige inventiviteit.
Het peil daalt als de geestigheid gezocht wordt in dom lawaai: piepen, bonken, hard niezen en hoesten, boeren en scheten laten. Mijn repliek: “Dit doet me erg denken aan de kleuter­klas waar ik laatst inviel. Daarvan kun je verwachten dat ze … Zij weten nog niet beter.” Soms maak ik de vergelijking met een voetbal­elftal met wrakke spelers, vervelende kletsers en misselijke afschuivers. Een groep 8 zou dan het eerste elftal, het topteam van de school moeten zijn.
In dezelfde sfeer: eindeloos veel en vaak ‘geestige’ opmerkingen maken of woorden nazeggen. Dat is hèt moment om te verhalen over de echt bestaande en ontzettend knappe kaketoe Omaatje die woorden kan nazeggen.
Propjes gooien doet het nog altijd. Ik doe leuk mee, met handen vol, en dan laat ik het opruimen.
Misschien niet kwaad bedoeld, maar sommige typetjes zijn meester in het stich­ten van verwarring. Lesje zus-of-zo is al wel / nog niet / misschien gemaakt. Ze vragen dingen (privileges) waarvan bekend is dat die niet kunnen, mogen of eigenlijk al aan anderen zijn toegewezen. Soms worden bewust onware dingen beweerd: we hoeven niet te douchen, we mogen onze schoenen aanhouden, … Ik speel het spel een eindje mee en neem dan een beslissing. Dat is het lot van de invaller.
1.3 Bij conflicten
Ook ik ben gebaat bij een plezierig verlopende invalbeurt. Ik smeer stroop met potten tegelijk, geef dingen een leuke draai, stuur bij en vermijd het conflict zoveel mogelijk. Toch komt er een moment dat er strepen getrokken moeten worden: tot hier en niet verder. Ik heb erg slechte herinneringen aan die ene keer dat ik de zaken op z’n beloop liet. Zo van: “Ach, het duurt maar twee dagen en ze zullen elkaar wel niet afmaken.” Het liep aardig uit de hand. Ik trèk die streep en de boot is aan.
Behalve op ‘de grote vier’, stuit ik soms op de nodige minachting. Ik krijg over­dre­ven beleefd antwoorden: “Ja meester, nee meester …”, terwijl de lichaams­taal verachting uitstraalt. Er wordt gezucht en tegen de muur gehangen. Het betekent: “Waar bemoei jij je eigenlijk mee, het is helemaal mijn zaak, dat weten we al, dat is oude koek.”
Voor schouders ophalen of “‘k Wee nie.” als om de eigen mening wordt ge­vraagd, kan ik soms wel enig begrip opbrengen. Dan worden er onbeantwoord­ba­re, retorische vragen gesteld. En het moet de leerling duidelijk zijn dat ieder echt eerlijk antwoord mag, ook als dat een mogelijk ‘onbeleefde’ reactie zou zijn. Maar meestal is “‘k Wee nie.” toch een poging om te duiken.
Een lastige: net als in de grotemensenwereld wordt er soms een beroep gedaan op gelijke behandeling. De meester of juf treedt onrechtvaardig op, ten nadele van de robbedoes. Ga dan maar eens uitleggen dat je zijn werk wat losser nakijkt, waardoor je zijn inzet op gelijke wijze beloont; dat je regelmatig de hand over het hart strijkt bij zijn vele kleinere missers. En dat een ander misschien een andere behandeling verdient omdat die ander gewoon anders is. De repliek luidt dus: “In onze grondwet staat dat gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden. Ongelijke gevallen dan ook niet. Je zou toch niet net als een meisje behandeld willen worden?” En dan volgen er een paar overduidelijke verschillen.

2 Naar medeleerlingen

Dit zijn de gedragingen van de moeilijke mannetjes: heel bekend, heel vervelend en bijna onuitroeibaar. Vaak gepleegd in groepsverband en gericht tegen zwak­ke­re klasgenoten. Die worden het leven zuurgemaakt in woord, daad of materi­eel (iets afpakken, verknoeien of kapot maken).
Maar er bestaan doortrapter trucjes. De eerste noem ik het ‘hulpmeester­syn­droom’. Verschijnselen zijn onder andere:
• Om stilte manen; het bekende: “Ssst. Sssssst. Ssst.”.
• Spontaan op de fouten van anderen wijzen.
• Allerlei andere vormen van ongevraagde ‘assistentie’ die steevast slecht uitpakt.
Op zich lijkt dit gedrag niet fout maar feitelijk is het bedoeld om problemen te scheppen. Waarschijnlijk vinden ze de ‘overtreding’ in hun hart helemaal geen probleem. Mijn repliek: “Als ik een klassenassistent nodig heb, zal ik er zelf één kiezen. En als ik je zo bezig zie, zal jij dat zeker niet zijn.” Of: “Je hebt nog een lange weg te gaan tot je onderwijzer bent. Hou nou je gemak tot het zover is.”
Verwant aan het hulpmeestersyndroom zijn de wijze opmerkingen als een mede­leerling ‘bestraft’ wordt. Deze wijze krijgt van mij de straf in het kwadraat en ik leg ook uit waarom. Zie het eind van blog De gelukkige (klas) meester voor een concreet voorbeeld.
Nog een overtreding die in commissie wordt gepleegd. A lokt B uit, zodanig dat B een standje krijgt. B zit meestal in het complot maar protesteert heftig. Repliek: “Ja, ik pak altíjd de verkeerde. En dat doe ik natuurlijk met opzet.”
(Goed beschouwd zijn de voorgaande drie zetten eerder bedoeld om mij, de leerkracht, schaak­mat te zetten. Ze horen dus net zo goed in de vorige para­graaf.)
Een meidentruc: in afwezigheid van X over hem / haar praten. Ik hoorde ooit: “Wat is die X toch een nerd aan het worden.”
In de bioscoop: volwassenen die gaan gniffelen bij emotionele momenten. In de klas wordt er ronduit gelachen als medeleerling iets van kwetsbaarheid of zwak­te laat zien.
Als een leerling de klas uitgestuurd is, moeten ineens veel kinderen (de pro­bleem­gevallen) naar de plee. Om hem / haar op de gang te plagen of met de gestrafte te gaan geinen.

3 Naar het werk

Wat gaat iemand doen die dag-in-dag-uit werk moet verrichten waarvan hij het nut niet inziet? Werk dat ook nog eens vervelend, dom en onnozel is. Zo iemand gaat klieren. Nou wordt er in het onderwijs veel aan gedaan om de leerstof ‘op te leuken’: veel plaatjes in de boeken, videootje erbij, vette beloningen. En kinderen kunnen leren nou eenmaal niet laten. Mijns inziens zijn de volgende gedragingen toch een gevolg van ‘zinloos gewerk’.
1. Graag, veel, snel en voortdurend afgeleid worden; traag werken.
Ik heb een mooi verhaal over politiepaarden die zich door helemaal niks laten afleiden. Rookbommen, sirenes, vuurwerk; het kan ze niet deren. “Maar als er brand uitbreekt, mag je meteen stoppen met je werk.” Niet zozeer als straf maar als concentratieoefening zette een leerling een ruitjesblaadje geheel vol kruisjes, up tempo. Er zijn er die na anderhalve regel al weer in de rondte dromen.
2. Het werk heel snel, slordig afraffelen en dan vervelen. “Ik ben klaar.”
De standaardgrap: “Okay, klaar? Helemaal niks nuttigs meer te doen, hier op school? Ga maar staan, je mag weg. Dan kan ik je tafel en stoel en je boeken gaan verkopen.”
3. Vragen hoe het zit met de extra opdrachten, terwijl de standaardopdracht nog niet half af is.
4. Zodra de leerkracht de klas verlaat, gaan geiten. Is dit nou normaal? Ja, als je ervan uitgaat dat dit bijna altijd gebeurt. Nee, als je het ziet als symptoom van de vreemde situatie waarin kinderen zich op school bevinden.
5. Met de starttijd van werk wordt het niet zo nauw genomen. Als er gestopt mag worden, blijken ze de praktijk van klokkijken ineens heel goed onder de knie te hebben. Bij de pauzes werkt het net andersom.
6. Tamelijk onschuldig: heel vaak om bevestiging vragen van te leveren of geleverd werk (vooral de kleintjes). In iets heftiger vorm: bij voorbaat roepen “Dat kan ik niet.”
7. Afkijken bij een overhoring. Repliek: “Jouw werk ga ik niet nakijken. Da’s zonde van mijn tijd. Ik doe alleen het werk van je buur. Jij krijgt bij voorbaat een twaalf en je moet zelf maar zien of je nog verder zwoegt.”

Nog wat losse opmerkingen.

Ik vind de regel ‘vinger opsteken, niet voor de beurt praten’ eigenlijk zó flauw en toch is hij nodig. Zonder dat ‘vingeren’ 😉 wordt het binnen de kortste keren een bende. Volgens mij komt dat deels omdat het mis is op een ander punt dan gewoon de ‘orde’. Het lijkt erop dat schoolkinderen afgeleerd hebben om naar elkaar te luisteren en om gehoord te willen worden door elkaar. De enige met wie men praat, is de leerkracht. Vooral in kringgesprekken valt dat op. Ik maak wel eens de vergelijking met de telefoon: “Als ik met iemand in gesprek ben, kan daar niet nog een ander bij.”
Onbekende dingen zijn achterlijk in plaats van interessant. Klassieke muziek is stom, belachelijk, geen muziek.
Bij maken van de tv-opstelling gaan juist de moeilijke kinderen centraal, onbe­reik­­baar in het midden van de kluit zitten. Zo werkt dat.
Ik verbied een kind ‘A’ want zoiets (!) is niet prettig. Doet kind ‘A+’. Ik verbied ‘A’, ‘B’, ‘C’ en vergelijkbaren in alle varianten. Ander kind doet ‘D’. Tsja: ander kind en een nog niet expliciet genoemde letter; vermoeiend hoor. En net zo makkelijk sta ik versteld van snelheid en vindingrijkheid om gunsten af te dwingen. “Eergisteren mocht die dat, dus mag ik nu ook …”

Dit was tak 1 van Gedrag van … Qua hoeveelheid niet gering maar het is dan ook een bloemlezing van honderd invalbeurten. En nog steeds vind ik invallen leuk, hoe ìs het mogelijk.

Zie voor:

Algemene beschouwingen: Gedrag van …
Tak 2: Gedrag van volwassenen
Tak 3: Gedrag van onderwijzers (staat nog in de steigers)
Tak 4: Gedrag van de overheid (idem)

Plaats een reactie