?

Weerenschool en Freinet II

De blogjes over de Weerenschool en Freinet hebben op LinkedIn in de Expertise­groep Taal & Onderwijs geleid tot een pittige gedachtenwisseling met ene Kristina. Ik genoot van haar mooie Vlaams: ‘stilaan’.
Wat zij te berde bracht, vrij weergeven:

  • Het kan niet waar zijn dat één insteek altijd, per definitie, de beste is.
  • In plaats van uit één onderwijssysteem, is het slimmer om het beste uit ver­schillende syste­men te halen.
  • Kinderen, klassen verschillen en vereisen dus een verschillende aanpak.
  • … niet mag vastpinnen op één ding … flexibeler opstellen … ongebonden ….
  • … [niet] slaafs Freinetonderwijs volgen …
  • … met die methode de eindtermen bereiken … hoe kom je aan de eindtermen?
  • … werken met methode is minder belastend voor de leerkracht.

Haar opmerkingen leidden tot het idee om ook maar eens de keerzijde, de an­de­re kant van de medaille neer te pennen. En: gaat het om het etiket, het stem­pel­tje van goedkeuring door … (Freinet) of om de achterliggende gedachten, de uitgangspunten en vooral de resultaten?
Zo ook: kun je elders mooie, goede ideeën halen? Mooie dingen waar Freinet of specifieker De Weerenschool op de een of andere manier tekort schoot?
Tot mijn spijt gaf Kristina geen antwoord op een concreet gestelde, zeer wezen­lij­ke vraag: ‘Wat gebeurt er in jouw klasje als je er een paar dagen niet zou zijn?’. Waarom niet, denk ik dan. En alvast één opmerking: Freinet ⇒ gij zult niet slaven!

1 Mankementen à la de Weerenschool

WerkOnderwijsFreinetFreinet0119281.1 Heavy en herrie

  • Het was stevig aanpakken, zelfs wel buffe­len om alle ballen in de lucht te houden. Be­hal­ve veel werk werd er ook een beroep gedaan op creativiteit en veel­zijdig­heid.
  • Herrie heb je in soorten en maten (met kin­der­en, ouders, collega’s, bestuur en inspec­tie). Dat komt overal voor (Protestant, Ka­tho­liek, openbaar, par­ti­culier; traditioneel, Jenaplan, Montessori, Vrije School; kleuter, basis, middelbaar en universitair). En ook op de Weeren­school ging niet altijd alles van een leien dakje.
  • Mijn poging om op ‘t Hoge Land met Freinet aan de slag te gaan, werd een regelrechte afgang. De Weerenschool was tamelijk ide­aal. Wat als niet alle leerkrachten streven naar een Freinetaanpak?

1.2 Verder …

Op de Weerenschool werden dus veel ideeën van de Freinetpedagogie in praktijk gebracht door alle leerkrachten. Had er nog meer gekund (zoals ik hoopte te bereiken op ‘t Hoge Land)?

  • De inrichting van de klas, ook de plaatskeuze, was aan de kinderen. Maar zou een vrije keuze van klas en leerkracht mogelijk zijn geweest?
  • Jan Willem vertelt over zijn hobby: vissen. Het komt tot een brevet. Maar waarom niet gáán vissen? Met z’n allen of alleen degenen die er zin in hebben.
  • Die zeehondendemonstratie … Een mooi beginnetje. Waarom niet ATV, Greenpeace en Milieudefensie erbij gehaald? En dan doorgroeien …
  • Een enkele keer hielden we een schoolvergadering. Daar had meer aan en mee gedaan kunnen worden.
  • De klassenkas … Ook dat had steviger gekund.
  • En natuurlijk alle zaken hieronder.

Waar ik al helemaal geen zicht op heb, is hoe ICT gebruikt en ingepast kan of moet worden. Of juist buiten de deur gehouden, maar dat zal niet verstandig en niet mogelijk zijn.
Op de Weerenschool zaten toen hoogstens vijf kinderen van niet-Nederlandse afkomst. Het was er witter dan wit. Op de Lutherschool in de Amsterdamse Kinkerbuurt had ik ervaren dat een hoog gehalte aan kleur toch een speciaal smaakje aan het onderwijs geeft.

2 Mooier dan Freinet

2.1 ‘Traditioneel’

Students answering teacher questionHet traditionele, reguliere onderwijs blinkt mijns inziens uit door com­pleet uitgewerkte methodes voor werkelijk alles.
Die zijn meestal mooi maar … ver­sla­vend. Als je eraan begint, als serieus onderdeel van je werkwijze, kun je er niet zomaar mee stoppen. Voor volgende maand staat er weer een toets op de kalender. En je collega van de vervolg­klas wil toch echt wel dat jij jouw deeltje hebt afge­han­deld.
Onderwijs wordt natuurlijk nooit makke­lijk maar het is best prettig dat je, als leerkracht, voor de komende maan­den, zelfs voor het hele jaar weet wat er staat te gebeuren (wat mij betreft: een dodelijk idee). En alles (moti­va­tie­trucs, introducties, aanleeractiviteiten, hulp­middelen, oefeningen, herhalingen, ver­die­ping, contro­les, …) staat al klaar. Alles in kleur en met leuke plaatjes. Misschien dat al dit materiaal ervoor zorgt dat de ‘persoonlijke grenzen’ enigszins verlegd worden.
Keerzijde hiervan: als invaller werd ik goed gestoord van uiterst complexe samen­­­hang tussen leerboekje A waarbij een werkboek B en een bronnenboek C en een oefenboekje D wat alle­maal uitgelegd en verantwoord wordt in hand­lei­ding E.
Hoe dit methodemoois in te passen, te gebruiken als je vindt dat het initiatief toch echt behoort te liggen bij de leerling?
Ik verzin hier een voorbeeld: ineens krijgen de leerlingen belangstelling voor het fenomeen ‘tijd’. Helemaal uit de duim gezogen is dat niet. Dankzij de corres­pon­dentie werd er hard gestudeerd op en gerekend aan de schooltijden (start van de dag, de pauzes, eind; alle va­kan­ties en vrije dagen). Maken wij meer, minder of hetzelfde aantal uren? Ik herinner me heftige problemen met talsstelsels en afwijkende dagen per maand. En: ‘Is het rooster van Delft (met overblijven) misschien prettiger dan het onze?’ Een dergelijke vraag vind je echt niet in een methode.
Als leerkracht zou je dan de rekenmethode erbij kunnen pakken. Daarin staat ‘echt alles’ wat kinderen moeten weten met betrekking tot tijden en kalenders. Maar waar ook al weer over­al wordt dat behandeld? Van boekje 6a t/m 12c, met hoofd- en subtaken?
Je kunt die pagina’s niet onverkort gebruiken want allerlei rimram wordt tussen­door opge­voerd. Maar wel verplicht op volgorde want … En er worden allerlei opgeleukte opdrachten aangeboden in plaats van recht voor zijn raap de theorie.
Het uitzoeken hiervan kost minstens zoveel tijd als het zelf maar maken van materiaal dat direct aansluit bij dat wat er zich in de klas voordeed.
De methode gaat in ieder geval voorbij aan essentie van de vraag: wat ìs ‘tijd’, waarom willen mensen tijd meten, wat gebeurt er met tijdmeten in de samen­le­ving, wat doen we zelf met onze tijd? Methodeboekjesfabrikantverkoper Walter-Kluwen-Nordholt had zich in kunnen dekken met een facultatief deeltje met als titel ‘Het is tijd’ en een *-tje met verwijzing in regulier boekje 12A. Behandeld worden: wat is een kalender, het zonnestelsel, wat doet een klok, de snelheid van het licht, ruimtekrom­ming, zwarte gaten en de relativiteitstheorie.
Vooralsnog houd ik het op de aanpak van Freinet.
De methodeboekjes van zo 1930 waren soms een uitkomst: zonder gefluitekruid, recht voor z’n raap: zó werken breuken en dan tig pagina’s met saaie oefenen in opklimmende moei­lijk­heidsgraad. Heel degelijk.

2.2 Jenaplan van Peter Petersen

Juni 1934 in JenaAls leerkracht heb ik nul eigen ervaring met Jena­plan­onderwijs. Maar mijn eigen kinderen gingen school op ‘t Hoge Land en die was toen best wel Jenaplan gewor­den.

2.2.1 Projecten

Jenaplan of niet: volgens mij waren ook op ‘t Hoge Land de metho­des leidend voor het leren van taal en rekenen en helemaal niet het echte eigen leven van de kinderen.
Heel veel overige bezigheden werden ingepast in ‘pro­jec­ten’. Die werden opgetuigd door het team (met hulp van ouders) en golden voor alle groe­pen geduren­de bijvoorbeeld een maand. Het project werd afgesloten met een grote presen­ta­tie.
Er werd echt veel energie in gestoken en ze, deze pro­jec­­ten, leidden soms tot spectaculaire dingen. Daar konden de projectjes van de Weerenschoolkinderen echt niet tegenop.
Er zat wel een vreemde kronkel in deze aanpak. De juf brak in december haar been maar sorry: het project ‘Gezondheid’ staat gepland voor de maand april. Vanwege het lopende project ‘Leven in koude landen’ (echt passend, goed bedacht voor december) kan er dus niet meer af dan een kaartje met ‘beter­schap’. Ik kan me niet herinneren dat het schoolse leerroer echt omging in het belang van het behartigen van leerlinginteresse.

2.2.2 Vieringen

‘t Hoge Land blonk uit in vieringen en feesten. Deels was dat ook een gevolg van gedreven ouders die twee keer per jaar echt alles uit de kast trokken voor het Lente- en het Herfstfeest.
In de begintijd van de school werd iedere week gestart met de maandagviering en afgesloten met de vrijdagviering in aanwezigheid van alle kinderen en veel ouders. Ze waren fraai en soms ook wanhopig vervelend. Honderd of meer mensen moesten kijken naar verplichte nummers van lage kwaliteit, tergend langdurig en saai. Ik denk dat ‘t Hoge Land een prima ‘vooropleiding’ was voor de toneel­school ;-).
Laat ik nou niet zuur doen: die vieringen zijn een pro, een plus van Petersen.

2.2.3 Stamgroepen

Zelfs als er voldoende leerlingen zijn voor groepen per leeftijd werkt Jenaplan met een mix van drie jaren: de stamgroepen. Wellicht is dat een goed idee.
Het is de kwestie homo- vs. heterogeen in verband met onderlinge inspiratie, hulp en assis­ten­tie. Het was wel lastig voor de leerkracht in verband met de vele niveaus, iets wat in een groep met één leeftijd ook al speelt. Voor van alles en nog wat gingen kinderen de klas uit: voor niveaurekenen, groepslezen, … Mijn eigen ervaring als invalleerkracht met gaande en komende leerlingen: ik vind het niet zo prettig; naar mijn idee deed dat het groepsgevoel geen goed.

2.2.4 De klas als huiskamer

Met alle respect maar ik ben het niet eens met de visie dat de klas een ‘huis­kamer’ moet zijn. De school en de klas zijn een werkplaats. De huiskamer is thuis.

2.3 Montessori van Maria M.

WerkOnderwijsFreinetMontessoriMaria01Mijn eigen ervaring met Montessori is weer zeer be­perkt. Gedurende een half jaar zat ik zelf in een Montessori kleuterschool (of was het al klas 1?). Het was kort maar ik zal het nooit verge­ten.
Tijdens mijn invalwerk stuitte ik af en toe op een Montessorischool. Mijn sessies waren meestal kort, slechts een dag of twee. Eén keer ging het om een periode van enkele weken. Ik herinner me de mooie materialen (kralenmat­jes, telramen, taalkaarten, reken­blokjes (MAB-kist), de matjes, de sloffen). De plan­ning van het werk / de taken was fraai maar best nogal complex. Gelukkig begrepen de kinderen er meer van dan ik.
Hoe jaloers ik ook ben op al die mooie spul­len: er wordt echt niet vanuit leerling gewerkt maar vanuit de leerstof en het materiaal.

2.4 De Vrije School van Rudolf Steiner

WerkOnderwijsFreinetSteinerRudolf02Van alle alternatieve, vernieuwende onderwijs­vor­men ben ik het minst bekend met de Vrije School. Via andere wegen heb ik wel gezien waar antroposofen mee bezig zijn in hun werk. Het doet allemaal zeer verzorgd en erg warm aan.
Maar volgens mij is het helemaal niks ‘vrij’. Men volgt allerlei vreemde dogma’s: niet leren lezen voor tanden wisselen, kleuren per leeftijd, de zaai­kalender van Thun.
Toch heb ik wel begrip voor ‘eerst hout, dan metaal en pas veel later plastic’. Dat kun je vergelijken met ‘tekenen – schrijven – drukpers – tekstverwerker’. Het is een afspiegeling van een redelijk alge­meen geaccepteerd idee: de wording van een persoon lijkt op de wording van de mensheid.
Ik weet niet waar meer wordt gedaan aan, beter wordt gericht op creativiteit en vieringen: de Vrije School of Jenaplan.
Ware de Weeren maar zo fraai verzorgd en ingericht geweest als een Vrije School.

Conclusie

De ‘traditionele onderwijsvernieuwers’ bieden veel om terdege rekening mee te houden, om van te leren, van te ‘jatten’. En het reguliere onderwijs moet je ook niet per direct afschrijven.
Op ‘t Hoge Land ben ik afgegaan als een gieter en dat op zich zegt al wat. De Weerenschool kon best een pedagogische, didactische en organisatorische lik verf gebruiken. In 1983 ging de school ten onder door een gebrek aan leerlingen (= belangstelling van en vertrouwen bij de ouders).
En toch en toch … Geen enkele stroming in het onderwijs, mijns inziens tot op de dag van vandaag, verzet de bakens zo fundamenteel de goede kant op als Freinet.

Plaats een reactie