?

Stevin VI: de fabriek & opa

De Simon Stevinstraat VI: de fabriek en opa

Deze blog gaat over mijn opa Ketting en zijn werkplek, ‘de fabriek’. De fabriek was een bijzondere plek en opa Ketting een markant mens. Vanzelfsprekend figureerden opa en de fabriek in andere verhalen, bijvoorbeeld in IV waar ik schreef over de ellendige koffie­tochten.
In De Simon Stevinstraat I schreef ik over de bewoners in ‘mijn stukje’ van die straat.
In De Simon Stevinstraat II: huizen staat iets over de woningen op nummer 31-hs en 31-1.
Buitenspelen was een feest: lees deel III.
Deeltje IV ging over de feestelijke frustratie van het ‘boodschappen moeten doen’.
En dat ‘boodschappen doen’ leidde weer tot het saaie V: winkels.
Later schreef ik in VII: vervolg nogmaals over de buurt en de huizen.
De (beperkte) oogst aan plaatjes is te vinden in VIII: foto’s.
Alle andere huizen (Sarphati, Spaarndammer, …) komen later aan bod. 

Dit verhaal (en de andere delen) staat, in diverse mootjes gehakt want max. 400 woorden, ook op de site van Het geheugen van Oost. Misschien dat dat nog iets op gaat leveren. Zie aldaar voor reacties van andere Oosterlingen want dat is de plek om in de pen te klimmen zodat een ieder kan meegenieten.

1 De fabriek

Henri Ketting was meubelmaker en binnenhuis­architect. Voordat hij voor zichzelf begon, werkte hij bij Max Coïni waar het werk volgens zijn eigen zeggen bij aan­vang alleen bestond uit het schaven en schuren van planken. Blijkens een kran­ten­­artikel klom hij daar op tot rechterhand van de baas.
Bijgaand plaatje werd in 2016 opgenomen in de catalogus bij de prachtige ten­toon­stelling van het Stedelijk Museum over de Amsterdamse school. Er staat een dres­soir van Coini maar ons dressoir van opa is mooier 😉

In 1933 startte hij met ene Vastenholt zijn eigen bedrijf op het binnen­terrein van de Ringdijk 10. Op een ‘arbeidslijst’ uit het startjaar (werkuren voor allen van 08:00 tot 17:00 (zaterdags tot 13:00) met een half uurtje pauze) staat als bedrijfsnaam ‘De Schouw’; nooit geweten. De samen­werking met Vastenholt draaide binnen korte tijd uit op herrie en V. vertrok.
Van de buiten- en de binnen­kant van de fabriek heb ik tot mijn grote spijt geen enkele foto kunnen vinden. Niet in eigen fotoboeken, bij geen enkel nog levend familielid en niet op internet. En dat is erg jammer. Ik kom niet verder dan een inkleuring van het perceel aan de Ringdijk waarvan de fabriek een deel in beslag nam. Hierbij dus het verzoek om met plaatjes over de brug te komen.
De feitelijke werkruimten waren niet beneden maar op de bovenverdieping, misschien vanwege het licht of omdat ze ruimer waren. De trap, en veel meer in de fabriek, was waarschijnlijk een eigen maaksel: degelijk en van hout. Via het buitenportaaltje en over hoge drempel stapte je een langwerpige ruimte binnen.

HuisAsdSStevinstrRingdijk1001
HuisAsdSStevinstrRingdijk1002

Langs de korte kant, direct links naast de deur en voor het grote raam stond een werkbank en een tweede werkbank in de lengterichting voor de linker muur. Rechts tegen de muur op planken en in rekken: potten beenderlijm, beitels in alle soorten en maten, sergeants van tien centimeter tot anderhalve meter. Ik denk dat dit ook de plek was van de enorme voor­raad schroeven, steuntjes en beugels, hang- en sluitwerk en een enkele spijker. Waar de blok-, loop en profielschaven uithingen, kan ik me niet herinneren. Alle schroevendraaiers (pompschroeven­draaiers waren echt mooie dingen, hoe die werkten!), duimstokken en ander klein spul zaten in gereedschapskisten. Hoekmaten … ze waren er maar waar? In ieder geval liggen enkele erfstukken in mijn gereedschappenkastje. Apart op de muur gemonteerd een elektrische slijpsteen en de wandtelefoon.
Rechtdoor, halverwege en los in de ruimte, stond een grote lintzaag voor het zware werk. Het apparaat produceerde zelf al de nodige herrie maar als het hout erdoor ging, verging horen en zien je helemaal. Als opa eraan werkte, diende je op gepaste afstand te blijven.
Achteraan rechts een kachel met ouderwetse strijkbouten erop. Ook grote mand­flessen met ammoniak om hout te kleuren (geloogd eiken). Als zo’n fles open­ging, sprongen op twee meter afstand de tranen me al in de ogen. Stond hier ook de politoer (schellak opgelost in alcohol)?
Links achterin de tekentafel(s). Oud tekenwerk lag opgerold of gevouwen op planken tegen de zoldering. Langs de wand hingen tekenhaken en dergelijke. Om een beetje stofvrij te kunnen werken, bouwde opa er een tekenhok omheen. Ik vond het een fascinerend gebeuren, dat tekenen op die enorme vellen papier. De gewoonte om potloden te slijpen met een mes of beitel, heb ik van hem afge­ke­ken. Zo ook mijn voorliefde voor het lettertype Desdemona.
In de lengte op driekwart, links, was de doorgang naar een zijvertrek. Daarin stond de cirkel­zaag en er was een luik met binnentrap naar beneden. Als het luik openstond was het voor ons, kinderen, ten strengste verboden om daar naar binnen te gaan, terecht. Maar wel jammer, want dan kon je niet spelen in de hoop houtkrullen en zaagsel.
Bij die doorgang zat het enige sanitair: een viezige plee met viezig fonteintje. Op de fabriek ‘hoefde’ ik daarom nooit.
De benedenverdieping bestond ook uit twee ruimten. Via een deur onder de trap kwam je bij de enorme (?) pers. De betonnen vloer was gescheurd onder het gewicht. De pers diende vooral om fineer op mindere soorten hout te lijmen. Langs de zijkanten lag een deel van de houtvoorraad opgestapeld. De donkere ruimte was spooky maar de pers maakte tenminste geen lawaai.
De andere benedenruimte had aan de zijkant wel een buitendeur maar meestal ging je binnendoor via een akelig steile trap zonder leuning. Ook hier een voor­raad hout, in mijn herinnering halve boomstammen maar zo erg zal het niet geweest zijn. Volgens mij lag het fineer in vele houtsoorten hier in rekken opgestapeld. De machines: een frees en een vlak- en vandiktebank. Ze maakten ook een enorm lawaai maar van gehoorkappen had men toen nog geen benul.

Een paar dingen ‘ken’ ik alleen uit verhalen. Bijvoorbeeld oom Han die een blokje aan de houten vloer had vastgetimmerd. Opa komt door het gangpad en geeft het in de weg liggende afvalhoutje een ferme trap … Een groter ongeval: bij de lint­zaag lette hij even niet op en zaagde een eind in zijn hand. In plaats van naar het ziekenhuis, ging ermee naar huis, naar Zus.
De voor- en achterkamer in de Simon Stevinstraat dienden – waren belasting­tech­nisch gezien – ook als een soort toonkamers voor het bedrijf. Het schijnt meer dan eens voorgekomen te zijn: klant komt mee naar huis en ziet een mooi meubeltje. “Wat zou zoiets nou moeten kosten?” Dan was de koop snel gesloten en oma achteraf woedend. “Zus, ik maak voor jou iets nog veel mooiers.” Wat nooit gebeurde.
Wel echt aan den lijve meegemaakt … Ik had het niet zo met timmeren maar met grote inspanning had ik geheel zelfstandig een vogelhuisje gemaakt van triplex. Trots ging ik het aan opa laten zien. Zijn, waarschijnlijk goedbedoelde maar weinig fijnzinnige reactie: “Mooi hoor. Maar als je de volgende keer nou …” Ik heb nooit meer iets houterigs gemaakt. (Dit is niet helemaal waar: zo knutselde ik in 1983 bijvoorbeeld met somakubusjes.)

2 Het werk

Opa ontwierp en maakte meubelstukken (tafels, rechte of leunstoelen, kasten en kastjes, bedden, bureaus, …) naar wens van de klant, een enkele keer in serie. Desgewenst bedacht hij een compleet interieur, vaak in een stijl die nog licht naar Jugendstil rook.
Bij de constructie van een meubel waren spijkers taboe. Dat was ‘Frans schroe­ven’ of ging het dan om het met een hamer de schroef door het hout jagen? Alles werd ge(beender)lijmd, geschroefd; pen-en-gat-verbindingen mochten evenals zwaluwstaarten. Tot op de dag van vandaag begrijp ik niet hoe zwaluwstaarten werkt. In ieder geval: op deze manier waren grote meubels demontabel.
Grote stukken gereed product werden opgehaald door de, toen al ‘erkende verhuizer’ Den Hollander. Ik heb er met verbazing en bewondering bij staan kijken hoe ze het dressoir in de Van Ostadestraat naar binnen manoeuvreerden.
In betere tijden werkten er zes knechts. Twee waren doofstom; opa kende geba­ren­taal. Rond 1960 was de ambachtelijke meubelmakerij een uitstervend beroep en opa werkte in zijn eentje. Misschien heb ik knecht Henk nog meegemaakt. Volgens Ellie (mijn tante) was het een vreemde man. Wel weet ik dat oom Han een tijdje bij zijn vader werkte maar dat was een matig succes; twee stuurlui in één fabriek … Als de zaken slecht gingen (geen opdrachten), zei mijn moeder, zonder nadere uitleg: “Ga vandaag maar niet naar beneden.”
Eén keer mocht ik met opa mee naar een klant in Noord (een gezellig boot­tocht­je) om een nieuwe opdracht binnen te halen. Het ging om een bureau met klep (uitklapbaar werkvlak), vergelijkbaar met het model dat wij zelf ook hadden. Het tienjarige wijsneusje (ik dus) bestond het om spontaan het woord te nemen: “Maar dan moet u het niet maken zoals bij ons want die steuntjes breken steeds maar weer af.” Pijnlijk, pijnlijk!

Alles wat opa maakte, ging in principe een leven lang mee, letterlijk.
Ik zit en eet nog altijd aan de tafel die hij maakte voor het trouwen van mijn ouders. De oorspronkelijke stoelen, waar ik tot mijn spijt alleen aan vaag plaatje van heb, waren massief, zwaar, gestoffeerd en zaten erg lekker. De stoelen op de foto hierboven zijn de geruilde exemplaren – met ‘beneden’ – en zijn dus misschien nog veel ouder. Op drie meter afstand staat het bijpassende dressoir. Het ‘bureau­tje’, ook voor dat trouwen, ging van Sarphatistraat naar Simon Stevin (op mijn kamertje). Het verhuis­de met mij mee naar de Spaarndammerstraat en verder naar de Van Ostade- en de Frans van Mierisstraat. Toen kwam de grote sprong naar Epe. Eerst Hoge Hagt, daarna Talmastraat en vervolgens Leen­hof­­weg. Omdat het inmiddels in gebruik over was gegaan naar zoon Michal, ging het met hem terug naar … de Van Ostadestraat en door naar de Katten­burgerstraat en de Nieuwe Looiersstraat. Het heeft al deze verplaatsingen overleefd en staat nu weer in Amsterdam, vlakbij de Zuidertoren.
Meer van zijn maaksels hebben dergelijke tochten gemaakt. Ze staan nu bij tantes Ellie en Erie of weer bij hun kinderen.
Opa’s laatste werkstuk, voor hij dus stopte rond 1967, moest een topper zijn. Het werd een serie Hollandse kolommen­kasten, vier of vijf in totaal. Van enkele heeft hij het beeldhouw­werk eigenhandig gedaan (onze kast had leeuwtjes op de kolom­men). Een kwam er dus bij ‘ons’ terecht. Na het overlijden van mam zaten we er een beetje mee want niemand woonde groot genoeg om de kast fatsoenlijk te kunnen plaatsen. Bert heeft een logeerplek voor hem gevonden in een kasteel­tje in La Rongère (Frankrijk).
Van andere Opa-maaksels hebben we tegen onze zin, noodgedwongen, afscheid genomen: de ronde, glazen tafel met de twee crapauds. Het bed van oom Theo en tante Marie werd door Corrie resoluut vervangen door een comfortabeler, groter exemplaar. De ouderlijke stonde (wat een krap bed) staat nog ergens bij een ex van Michal.

3 Het leven

Na ‘De fabriek’ en ‘Het werk’ nu dan ‘Het leven’. Dat is teveel gezegd maar ik weet zo gauw geen beter kopje. Het begin van dit stukje blog heb ik natuurlijk slechts uit de tweede hand. Maar het hoort er mijns inziens wel bij om met het begin te beginnen.
Opa Henri (eigenlijk Hendrik) Ketting werd in 1898 te Amsterdam geboren als zoon van Hendrik Ketting en Elisabeth Jacoba van Lier. Zijn jeugd was niet zo aange­naam. Broer Bertus werd lijstenmaker en had zijn werkplaats in het tuin­huis­je achter zijn benedenwoning in de Eerste Oosterparkstraat tussen Amstel en Wibautstraat. Ik ben daar maar een keer binnen geweest. Er waren meer (half-)broers en (half-)zussen maar daarmee had hij gebroken.
In 1922 huwde Henri Albertina Johanna de Beer. Ze betrokken de woning Czaar Peter­straat 195′, Amsterdam (waarvan de deur gek genoeg op de Con­rad­straat 170 zat). In 1929 verhuisden ze naar ze naar Commelinstraat 41”’. Deze woning was minder fantasierijk maar had een kamer meer en de buurt was prettiger. Bovendien zat opa dichter bij het werk. Beide huizen zijn uitgebreid beschreven door mijn moeder in dierbare familieverhalen.
De derde en laatste verhuizing, naar de Simon Stevinstraat 31-hs, vond plaats in ’35 of ’38. Slechts drie keer verhuisd … kom daar maar eens om tegenwoordig. Van dit huis kon ik zelf een redelijke beschrijving geven omdat ik erboven woonde. Zie blog II: huizen.

Er kwamen drie kinderen. In 1923 mijn moeder Albertina Johanna, roepnaam Tini maar meestal aangesproken met Nienke. Han (Henri) werd geboren in 1933. En het zal niet makkelijk geweest zijn om een kleintje op te voeden in de Tweede Wereldoorlog: Ellie in 1942.
Laat ik over die akelige tijd alleen navertellen dat mijn moeder na spertijd mee moest helpen om verstopte spullen van Joden van de fabriek naar huis te versjouwen. En na een tijdje weer terug ‘omdat het daar toch veiliger lag’. Op de site ‘Het geheugen van Oost’ staan vele klemmender verhalen over de oorlog.

En nu stukken luchtiger … Omdat we ‘boven’ woonden, heb ik opa veel mee­ge­maakt in het dagelijks leven en dat zou ik weten ook. Opa was een aardige man en hij droeg iedereen een goed hart toe. Maar hij hield van grapjes en een beetje plagen. Het lijkt erop dat mijn broer Bert en ik dit trekje hebben geërfd. In ieder geval heb ik diverse van zijn grappen weer los­gelaten op mijn eigen kinderen. Bij iedere geslaagde practical joke zei oma: “Henk toch, dat moet je niet doen met zo’n kind.” en ze genoot met volle teugen.
“Fransje, wil je een eenhands- of een tweehandsplak?” als de cake aangesneden werd. Een tweehandsplak natuurlijk en dan kreeg ik een flinterdun plakje dat je echt met beide handen moest aanpakken om te voorkomen dat het uit elkaar viel. Of “Wie het eerste ‘ikke-pikke-porretje’ zegt, krijgt een koekje.” en lachend stopte opa het in zijn eigen mond. Want wie had dat toverwoord nou het eerst gezegd?
We aten regelmatig beneden en bij de hoofdmaaltijd hoorden drie grappen. Een doperwtje op bordrand heette ‘een boon apart’, iets wat ik nooit kon raden. Al uit­ge­ge­ten, prikte hij een aardappel en draaide die door een volle juslepel onder de bezwering “‘Wat nu, wat nu,’ zei Pichegru, en hij stopte zijn beentjes in de jus.” Nooit honger gekend hebbend, vond ik deze traktatie maar matig. Om aan te geven dat hij spinazie niet zo lekker vond, werd een beeldje – koe met kalf – met ‘van achteren’ bij de bordrand gezet.
Het ergst was de eenmalig uitgevoerde spinazietruc. Wederom waren we uit­ge­geten. Opa schraapte de laatste restjes appelmoes uit de schaal en voerde. De appelmoes van oma was heerlijk. “Moet je kijken. Die gordijnen zijn helemaal verkleurd.” Ik keek natuurlijk en opende mijn mond waarin nu een volle schep spinazie verdween, de verschrikkelijkste groente die er bestond. Ik heb de hele hap over de tafel gespuugd, tot grote verbazing van opa. “Wat doe je nou?”
Ik wist na tien, twintig keer echt wel dat er niemand stond maar ik kon de reflex nooit onderdrukken als hij zwaaide naar mensen voor het straatraam, die er dus weer niet stonden.
Hij had schik in om je te laten schrikken als je iets spannends deed. Op een gegeven mo­ment dacht ik de aanpak door te hebben. Bij een kerstmaal mocht kleine Els met de ene kaars een andere aansteken. Op het moment dat de lonten elkaar raken, geef ik een schreeuw en klap in mijn handen. Els laat de kristallen kandelaar uit haar handen vallen; stuk. Opa tegen mij: “Hoe kan je dat nou doen?”
Hij kon zijn kleinkinderen flink op de kast krijgen met: “Heet deze stoel nou een pacráúdje of een pácraudje.” Dan was ‘crapaudje’ ineens ver weg. Als pap in de buurt was, deed die vrolijk een duit in het zakje. Flauw hoor.
Geheel serieus was zijn bezwaar tegen (Bazooka) kauwgum want “die is in de fabriek inge­pakt door meisjes met vieze handen”. Ik geloofde het gewoon niet. Smetvrees is een te groot woord maar opa was wel zeer proper.
Opa hield van gezelligheid in huis. Oud en nieuw bijvoorbeeld werd altijd beneden gevierd met diverse gasten. ‘s Middags bakte oma de appelflappen en oliebollen. ‘s Avonds luister­den we naar de conference van Wim Kan waar ik het meeste niet van snapte. Een vaste gast die om mij onbekende redenen in ongenade viel was mijnheer Both (van de radiozaak op de Linnaeusstraat 38?). Met de jaarwisseling schoot hij zijn alarmpistool af, spannend!
Meestal aten wij natuurlijk gewoon thuis, boven. Na de maaltijd (wij waren vaak nog niet klaar) kwam opa naar boven met voor ieder van ons een Koetjesreepje. Dat was prima maar dat onophoudelijk aanbellen; hij liet de belknop gewoon niet los voordat er open gedaan was. Dat vond ik erg irritant. Van mam mocht ik daar niets van zeggen.

Opa hield ook van noviteiten. In het wand­meubel in de achterkamer stond een platen­speler (78 toeren bakeliet­platen). Ik meen me te herinneren dat zowel opa als oma op een koor hebben gezeten. Als hij in een goede bui was, kweelde hij een ariaatje mee.
Van de wereldtentoonstelling in Brussel in 1958 kwam hij terug met een zelfop­win­dend horloge met datum­venster­tje van Pontiac (ik draag het nog steeds!). Hij bouwde de Pontiac-stand. Wij kregen het afvalhout: glimmende en spiegelde latjes.
Hij was een van de eersten in de straat met televisie. Op woensdag- en zaterdag­middag mochten we komen kijken: presentatrice Tante Annie, De verrekijker, Ja zuster, nee zuster, Pipo de Clown en Swiebertje. Dan waren er de Eurovisie uitzen­din­gen: schansspringen in Garmisch Partenkirchen (na vijf minuten kijken werd het saai maar je bleef kijken) en langebaan schaatskampioen­schappen. Zo ook de Elfstedentocht met Reinier Paping en de moord op Kennedy (beide 1963).

Behalve creatief met hout was opa een niet onverdienstelijk amateurschilder. Als kind heb ik me niet gerealiseerd hoe bijzonder dat was. Misschien omdat ik het hem nooit daadwerkelijk heb zien doen. Niet alle schilderijen vond ik even mooi, bijvoorbeeld het groot formaat stadsgezicht met mensen in de sneeuw (naar Breitner?) dat bij ons luid en duidelijk in de huiskamer hing. Ik vond het te somber. Op een haventafereel hing volgens mij een geman­gelde kat in de mast, zijnde een gereefd zeil. De broer van opa, mijn ‘oom’ Bertus verzorgde de museale lijsten.

Broer Bert trad in merkwaardig veel opzichten in de voetsporen der Kettingen. Hij deed de meubelmakersvakschool, maakte lijsten zoals oom Bertus en ging schil­de­ren voor zijn beroep.

Andere hobby’s van opa heb ik wel meegemaakt. Gedurende vele jaren ging hij op zaterdag vissen met schoonzoon pap, ergens bij Alkmaar aan het Noordhol­landsch Kanaal. Om 04:00 op, einde middag terug; verkleumd of zon-gebrand. Ooit kwam hij aan met een flinke snoek. Die ging eerst in een teil en toen maar in de vijver. De volgende dag waren alle goudvissen verdwenen.
Af en toe maakte hij een wandeling door de wijk om te kijken naar nieuwbouw. Mij nam hij bijvoorbeeld mee naar de bouwput van de Casa Academica of Casa 400 (want 400 kamers). Grappig: de vader van mijn partner Corrie deed hetzelfde als hij ‘in de grote stad’ was. En schoonvader was, als ex-timmerman, ook goed met hout.
Opa bouwde in de tuin een grote volière. Ik herinner me hoe de cementen vloer werd gestort. De kanaries, zebra- en tijgervinkjes, nonnetjes, parkieten, barm­sijsjes, kwarteltjes en meer kregen een uitstekend onderkomen en een prima verzorging. Ieder jaar kwamen er jonkies. Toen hij was overleden moesten wij ‘s winters naar beneden om met grote plastic schermen de kou buiten te houden.
Ja, zo plots als het hier staat, zo plotseling overleed opa in 1968. En ik ben niet eens mee geweest naar de begrafenis. Bram Vermeulen zong in een verder matig liedje: “Je bent pas echt dood als je vergeten bent.” Opa en oma dus niet.

Naar de Simon Stevinstraat VII: huizen, vervolg.

5 Responses to “Stevin VI: de fabriek & opa”

  1. Pieter Creemer Says:

    In uw blog wordt mijn oudoom G. J. Vastenholt genoemd, meubelmaker in Amsterdam. Wat grappig om zo wat meer over hem te weten te komen. Hij was de broer van mijn oma en heeft begin 1935 het gehele ameubelement voor mijn grootouders gemaakt. Bij mij thuis staan hiervan nog een aantal meubelstukken. Op de sleuteltjes daarvan staat ook Max Coïni. Blijkbaar kwamen deze uit de failliete boedel!

    Indien u het op prijs stelt kan ik in de familie nog wel eens navraag doen over de ‘onfortuinlijke’ samenwerking met uw opa!

    Pieter Creemer

  2. Frans Says:

    Dag Pieter,

    Is dit even apart! De samenwerking speelde dus in 1933.
    Ik ben zeker benieuwd naar details en misschien wat fotomateriaal. Ook bij mij staan nog prachtige meubels van 1950.
    Misschien maar niet via de site maar via het mailadres.

    Mvg, Frans

  3. Cisca Houben-Ketting Says:

    Ik heb genoten van het verhaal over uw opa Ketting, die mijn oom was. Mijn vader, Pieter-Jan Ketting was zijn broer. Tussen 1933 en 1935 bezochten wij hem en tante Tina regelmatig op de Simon Stevinstraat 31. Hoewel ik nu 91 jaar ben, kan ik me nog het een en ander herinneren uit die tijd. Ook heb ik nog een paar foto’s die u misschien interessant vindt. Ik zou het leuk vinden als u via email contact met me zou opnemen. Dan kunnen we mogelijk wat informatie delen.

    Vriendelijke groet, Cisca Houben-Ketting

  4. Frans Says:

    Dag mevrouw Houben,

    Heel bijzonder, erg leuk om uw reactie te lezen. Dank!
    En ik zal zeker een berichtje sturen.

    Frans

  5. R Doorduijn Says:

    Goedendag,
    Leuk om te lezen.
    Ik heb ongeveer 25 jaar geleden een renovatie project van het Rijksmuseum gedaan en een mooie ladenkast gekregen van Max Coini.
    Volgens mij een kast voor een apokeker.
    Staat heel mooi in de kamer.
    Met vr gr R Doorduijn

Plaats een reactie