?

Stevin… IV: boodschappen

De Simon Stevinstraat IV: boodschappen doen

In De Simon Stevinstraat I schreef ik over de bewoners op de nummers 29 t/m 33 en aan de overkant 42 t/m 46.
In De Simon Stevinstraat II: huizen gaat over de woningen 31-hs en 31-1.
Buitenspelen was een feest: lees deel III.
Hier gaat over de fantastische frustratie van het ‘boodschappen-moeten-doen’. De fotootjes zijn allemaal ‘geroofd’ van internet.
En dit ‘boodschappen doen’ leidt weer tot V: winkels. Uiterst saai met zoveel mogelijk namen van zoveel mogelijk winkels en bedrijfjes. Toch vind ik het een leuk stukje.
In De Simon Stevinstraat VI komen opa en ‘de fabriek’ aan de orde.
Later schreef ik in VII: vervolg nogmaals over de buurt en de huizen.
De (beperkte) oogst aan plaatjes is te vinden in VIII: foto’s
Alle andere huizen (Sarphati, Spaarndammer, …) komen later aan bod.

Dit verhaal (en de andere delen) staat, in diverse mootjes gehakt want max. 400 woorden, ook op de site van Het geheugen van Oost. Misschien dat dat nog iets op gaat leveren. Zie aldaar voor reacties van andere Oosterlingen want dat is de plek om in de pen te klimmen zodat een ieder kan meegenieten.

Bestond er iets ergers in mijn kinderleven dan … boodschappen doen? Of het nou ging om ‘mee met moeder’ of ‘erop uit gestuurd worden’. Ik vond het vaak een ramp.

‘Mee moeten’ duurde en duurde. “We gaan nog even naar …” en “Ik moet ook nog … hebben.” In de winkel konden zich soms lange gesprekken ontwikkelen. En daar hing ik dan bij, op mijn moeie, zeer wordende beentjes. Samen (hoe kon dat anders dan samen) kleren kopen, was bijzonder erg. Ik moest er blij mee zijn, met nieuwe kleren, maar dat was ik niet. Het kon zo maar gebeuren dat de verkoopster aan me ging frunniken en omkleden in zo’n pashokje beviel me niks. Verder wist ik absoluut niet wat ik hebben wilde. En die nieuwe kleren zouden eerst gereserveerd worden voor de vervelende zondag. De minder persoonlijke klantbenadering van C&A verlichtte de gêne een heel klein beetje.

Op latere leeftijd werd ik er zelf op uitgestuurd, meestal naar slechts één winkel voor een enkel vergeten boodschapje. Het zal heus niet vaak gebeurd zijn maar het kwam echt nooit goed uit. Was je net fijn aan het voetballen en dan … Het voelde sowieso al als een afgang ten opzichte van de voetbalvriendjes.
En dan die boodschappentassen. Die waren zonder meer en altijd belachelijk achterlijk dom. Nepplastic (zelfs plastic kan een nepindruk maken) gevallen met rare hengsels en rare ritsen. In mijn gedachten zagen alle mensen op straat hoe zielig ik was. Langs de muren sluipen is teveel gezegd maar ik hield me wel zo klein en onopvallend mogelijk.
Het ergst was ‘de kar’. Op vrijdagmiddag werd een van ons met een briefje met daarop de weekboodschappen en de kar (grote, hoge tas tegen metalen beugel op piepwieltjes) naar melkboer Meijer in de Wakkerstraat gestuurd. Dat viel nog enigszins mee want je kon flink doorstappen. Op zaterdag de volle kar ophalen was minder. Tempo maken was er niet bij en bij iedere stoeprand kon dat ding omkieperen. Gelukkig is die blamage mij bespaard gebleven. Nog altijd weiger ik me te verlagen tot een Samsonite-op-wieltjes. Beetje dom natuurlijk.
Meijer deed aan Contantzegeltjes. Het hele jaar door werden die opgespaard in een la van de keukentafel. Tegen Sinterklaas werden wij van Contant­zegel­boek­jes voorzien. En dan was het beenderlijm likken. Een boekje had vijf A5-pagina’s met elk, ik schat 120 zegeltjes. Zelfs met een natte spons bleef het een vies werkje. Per vol ingeleverd boekje ontving je ƒ 2,50. Enkele Koetjesrepen gingen gratis bij de zaterdagse boodschappen. Andere merk­namen: Riedel, Exota, Blue Band en Bazooka kauwgum. Eind goed, al (niet) goed: de toon­bank zakte door de granito vloer en Meijer vond als suppoost in het Stedelijk nieuw en vast minder uitputtend werk.
Oma kocht nooit bij Meijer maar bij Prins op de hoek van Ringdijk. Waarom precies weet ik niet. Misschien was er een oude vriendschap in het spel. Of het was omdat Prins in de zestiger jaren nog aan de deur kwam. Mam vond in ieder geval dat je bij Prins te goed op het wisselgeld moest letten. Gelukkig was Prins lekker dichtbij. Nou rekende oma tot op de cent precies uit wat een en ander zou gaan kosten en exact dat bedrag kreeg ik mee. Hoe vaak het voorgekomen is dat ik met één cent te weinig op pad gestuurd was, weet ik niet. Maar het is me overkomen bij Prins en bij Van Deudekom. Omdat ze mij niet herkenden als kleinkind van mevrouw Ketting, moest ik voor die ene rotcent extra heen en weer.
Heen en weer had soms ook een andere reden. Een ‘briefje mee’ vond ik weer een extra afgang bij zo’n toch al vernederende bezigheid. Het kon namelijk gebeuren dat de winkelier over de toonbank dook en het papiertje opeiste: “Geef maar hier. Dat gaat sneller.” Alsof ik het niet kon oplezen, pfff. Ik repeteerde dus: “Een halfje melkwit, een tijgerbrood, zes kadet­jes en een half pond allerhande. Een halfje …”. Van huis tot in de winkel, totdat ik na vier klanten aan de beurt was. “Wat zal het zijn, kerel.” En dan was ‘het’ … helemaal weg. Potdorie.
In een drukke winkel kon het voorkomen dat een groot mens voorkroop, soms zelfs twee! Nog langer wachten dus. Het langst wachten stond me te wachten als ik voor een rits of zo (dat stond dan precies uitgeschreven op een briefje) naar het manufacturenwinkeltje op de Ringdijk werd gestuurd. Ik hoopte vurig dat er geen enkele klant in de winkel zou zijn maar die kans was klein. Eén voor­gan­ger was nog te doen maar bij twee of drie waren de rapen gaar. Wat konden die zusters Van der Kuyl of hoe ze ook heten mogen, oever- en eindeloos kleppen. Ondertussen werd er wel van alles tevoorschijn gehaald. “Nee, heb je het een tikje donkerder?” En hups, weer een bak, lade of doos werd half uitgepakt. Zonder je een blik waardig te gunnen werd een deel van de troep (excuus) weer opgeruimd voordat je geholpen werd. Eén keer werd het me te gortig en ben ik teruggegaan naar huis. “Dan moet je er straks toch nog een keer heen want ik wil die rok vanavond afmaken.” Los van dat ver­schrik­kelijke wachten was ‘hand­werk­spul kopen’ toch al te gek voor een jongen.

Een boodschapje Busman in de Cornelis Drebbelstraat vond ik niet zó beroerd. Misschien omdat ik met zoon Jan Busman in de klas zat, misschien omdat het er gezellig toeging. Achterin de zaak stond een spannende krieltjesschrapmachine. Volgens mij liep de vloer flink af naar beneden. Elders in die straat zat een winkel waar we tubifix kochten voor goudvis en schildpadje (herinnering via site).
In zo’n ouderwetst koude winter was oma door de kolenvoorraad heen. “Ga jij even naar beneden. Dan krijg je geld van oma om kolen te halen. Je kunt een zakje op de step van Bertje leggen.” Moest ik vijf zakken eierkolen gaan halen, door de sneeuw, met de step van mijn broertje nota bene! Na twee tochten naar Kayen op de hoek Wakkerstraat – Cornelis Drebbelstraat had ik het wel gehad: koude vingers, koude tenen. Die laatste drie zakjes moesten maar in ene keer. Twee zouden me misschien nog zijn gelukt maar dit was echt teveel. Net de hoek van de Simon Stevinstraat om verloor ik de macht over de step en daar ging de toren. Erger nog: één zak was opengebarsten. Zwart-op-wit zou je kunnen zeggen. Hoe ik dit probleempje heb opgelost, weet ik niet meer. Zeker is dat ik weer eens helemaal voor schut stond. Er gluurden vast veel mensen naar me vanuit hun huizen.

Twee van de vele winkels in de Wakker­straat verdienen een eer­volle vermel­ding. Op de hoek met de Midden­weg Proeskie met in de etalage aan de voorkant huis­hou­de­lijke artikelen. De etalage in de Wakker­straat was het paradijs: speelgoed! Meestal wilde ik dat mijn moeder eens opschoot; hier hing ik lang voor de etalage. Ik kocht er Lego, plastic zelfbouw vliegtuigmodel­letjes, Matchbox en Dinkey Toys autootjes. Tegen Koninginnedag was het tijd voor een met zilverpapier gevuld netballetje aan een elastiek en een uitroltoetertje.
Iets verder in de straat zat een echt ouderwetse drogisterij. Ik kan me ver­gis­sen maar de mensen woonden volgens mij achter de winkel in een opkamer. Het rook er apart en het interieur was indrukwekkend. Ze hadden Lodaline (met puzzelstukjes als cadeau) en ik kocht er petroleum, groene zeep en Brillo schuur­sponsjes voor de padvinderij. Er stond een heuse ziekenhuisweegschaal, met zo’n schuif aan de bovenkant. Een ander fantastisch winkel­apparaat: bij Van Kessel op de Middenweg kon je je voeten laten doorlichten om te zien of de nieuwe schoenen goed pasten. Medisch gezien waarschijnlijk totaal onverantwoord.

De enige winkel waar ik op eigen kracht en uit vrije wil langer dan een uur kon vertoeven was het Rechthuis, hoekje Middenweg – Ringdijk. Ik kocht er mijn eerste lp’s: Concert voor orkest van Bartók en Take five van Dave Brubeck. De hitlijst was niet aan mij besteed. Waar ik de pick-up vandaan had, is me ontschoten. Wel weet ik nog dat mijn eerste zelf gespaarde grote aanschaf een verrekijker was. Waarschijnlijk gekocht bij Stork op … de Midden­weg. Bij Lintvelt (niet Wijnand Laroo, zoals ik eerst dacht) kreeg ik op 21-05-1960 van opa mijn aller­eerste eigen boek: een vogelgidsje. Met opa ging ik heel zelden naar drank­handel Van Doornik. Hij kocht er alleen … spuitwater (om te mengen met bokbier, een Breezer avant la lettre) en in geringe hoeveelheden advocaat en boeren­jongens. Met Pasen zaten er kuikentjes in de etalage. Het kan zijn dat opa Ketting hier het interieur heeft gemaakt. De Gruyter, hoek Middenweg – Hoge­weg, krijgt hier een eervolle vermelding vanwege ‘het snoepje van de week’ en die prachtige koperen koffiemaalmachines. Het was trouwens de eerste super­markt in de buurt.

Gelukkig kwamen er ook nering­doen­den aan de deur; dat scheelde mij vele loopjes. Zoals gezegd: in de beginjaren Prins. Hij had losse melk in de kar die met een grap­pi­ge maatbeker aan lange steel vanuit de melkbus in ons tinnen melkbusje werd overge­schept, zonder een druppel te morsen. Die melk hoefde niet gekookt want ‘Nederlandse koeien zijn tbc-vrij’. Na flessenmelk maar vòòr de pakken was er melk in plastic zakken. Onhandige dingen die je in een blauwe, plastic houder moest zetten om ze enigszins hanteerbaar te maken.
Aan de bakker die aanbelde heb ik slechts een vage herinnering. Heette hij niet Moes (van het Pretoriusplein)? En nu ineens schiet me de vuilnisman met ratel te binnen. De aard­appel­­man (kar met een paard dat flink kon pissen) heeft het het langst volgehouden. De moderne variant was de ‘rijdende winkel’ van … Op zaterdag kwam hij soms nog in de avond langs; wat een baan. [Hersenen blijken rare dingen. Dagen al puzzelde ik op die naam maar hij kwam niet. Zus Martha maar eens raadplegen. En werkelijk op het moment dat ik het haar zal vragen … “Heette die rijdende winkel niet Rutte?” De naam was daar, verbazing­wek­kend.]
Niet de waar maar de post werd rondgebracht door postbode Gerrit van de Hatert, een kleine man, later bijgenaamd Gerrit de Postduif. Hij deed een voor­ronde om ‘belangrijke stukken’ vroeg aan te bieden (belde aan) bij pap. Die had namelijk zijn makelaarskantoor aan huis en Gerrit wist van alles over de bewo­ners in zijn wijk. Gelieve je vakantie aan hem te melden want anders ging hij zich zorgen maken.
Groenteafval werd verzameld in een zinken teiltje dat in een van de keuken­kast­jes stond. Eens per week moest je ermee naar beneden want dan kwam de schillenboer langs. Twee dingen mochten er niet in: rabarberbladen (want zelf de varkens vreten het niet) en natuurlijk geen aardappelschilmesjes (want dan kregen de dieren het scherp in). De schillenkar werd getrokken door een leuke pony.
Op zondag kwam de zuurkar met pekelaugurken van, volgens mij, Allegro maar Internet gebiedt De Leeuw. Toen die niet meer steevast door de straat kwam, achtervolgde pa de kar per auto. Of we reden zelfs naar hun winkel/werkplaats in de Vrijheidslaan. Pekelzuur moest en zou er namelijk zijn. (Verder bliefde pap nauwelijks avondeten tenzij ‘sla met spek’, bloedhete kippensoep of komkom­mer­nat. En opa Ketting ging voor ‘een broodje halfom’ en kneiterhardgebakken puntjes. Rare mensen … die volwassenen want alles oneetbaar vies.)
Naar aanleiding van herinneringen van J. Oudendijk jr. op ‘Het geheugen van Oost’ voeg ik nog twee colporteurs toe:
Bertus die op warme dagen met de O.V.V.-ijskar langs kwam
en
AnkieBijtum, de Telegraaf-krantenbezorger. Ene keer heb ik angstig achter de voordeur verstopt gezeten met de boze man plus hond buiten.

Een heel bijzondere maar met regelmaat terugkerende ‘boodschap’ was ‘koffie brengen’ naar opa Ketting; naar ‘de fabriek‘ op het binnenterrein van Ringdijk 10, van huis zo’n tien minuten lopen. Dat was de tocht der tochten, tegelijk waardeloos en toch ook leuk.
Dit is de enige foto die ik van die plek kan vinden. Hij is van ver voor mijn tijd, nog met zes knech­ten. Eén ervan was doofstom maar opa kende gebaren­taal. De laatste ‘knecht’ was Theo (?), een vreemd figuur. Later heeft ook oom Han er nog een tijdje gewerkt.
Hierbij een hartenkreet: heeft er nou niemand betere foto’s van de fabriek (van binnen of van buiten) en de hele binnenplaats (Rijkers, de haspelman)? Dat kan toch niet waar zijn! Ik deed zelf een poging tot reconstructie. 
HuisAsdSStevinstrRingdijk1001 HuisAsdSStevinstrRingdijk1002Om de een of andere duistere reden zette opa zelf geen koffie. Die werd hem gebracht, meestal door oma. Maar in vakanties waren de kinderen en nu dan de kleinkinderen de klos. 
Vakantie, dus al om tien uur aan de voetbal. En dan kwam oma naar buiten: “Hoehoe, hoehoe! Frans! Hoehoe!”, gevolgd door handgeklap. Het kwam er nog bij dat ze niet op haar vingers ging fluiten. Ik kon me wel even van de Oost-Indisch-dove houden maar er was geen ontkomen aan. 
In het halletje stond de (belachelijke) tas al klaar. Erin een melkkoker met oude, opgewarm­de koffie met veel melk. Met lood in de schoenen ging ik op pad. Zo gauw uit zicht van oma probeerde ik de tas zo vaak en heftig mogelijk tegen paaltjes, fietsen en stoepetjes te bonken. Opdat er maar veel koffie over de rand zou klotsen en dat ik dan maar niet meer zou hoeven. Tsja, dat had tante Ellie ook al gedaan dus vandaar dat de melkkoker maar voor een derde gevuld was. Na mij heeft broer Bert ook gebonkt. 
Om bij de fabriek te komen, moest je door een poort naar het binnenterrein achter de huizen. Meestal stonden de grote deuren wijd open maar het was toch altijd eng. Door de poort, links achter in de hoek zat de griezelige smid Rijkers. Niet de man maar zijn laswerk­zaamheden boezemden angst in. De man die haspels maakte voor de PTT was onschuldig. Zijn plek was na de poort direct links. Rechts zat een grote schuifwand. En, o zo griezelig, daarachter huisden de zigeuners, tenminste in mijn fantasie. Ik heb die wand werkelijk nooit open gezien. En bij navraag bleek dat er ver voor mijn tijd kermisklanten over­win­ter­den. 
Het volgende gevaar was de houten trap naar de eerste verdieping van de fabriek. Links achter de leuning en tussen de traptreden gaapte een, bij iedere stap, steeds diepere diepte. Bij regen werd die trap goed glad. 
Eén keer binnen wachtte een spannende wereld met gereedschap, machines en geuren. Opa draaide steevast een restantje sigaar tussen zijn lippen. De peuk verhuisde in een tel van de linker naar de rechter mondhoek en even later weer terug.

Met veel werkjes in huis (bedden klaarmaken voor de nacht, olieblikken uitgooi­en in het vat op de tweede verdieping, tafeldekken, afwassen enz.) verdienden we een zakcentje. De opa-tocht was geheel ‘vrijwilligerswerk’. En zo was er de auto om te wassen. Pap had er blijkbaar een hekel aan. Wij, broers en zussen vonden het ook niks, maar het leverde wel wat op. Pas onlangs hoorde ik dat pa tijdelijk ook overbuurjongen Dirk van der Hilst heeft gestrikt (brom­mer gratis parkeren in de garage) en zelfs oom Arnold heeft de auto gepoetst.
Nu het toch over ‘geld verdienen’ gaat. Ik had toentertijd twee baantjes: vakan­tie- en weekendwerk in de HEMA en Casa 400.
Mijn eerste actie bij de HEMA, meteen een heldendaad, was het vakkundig kra­ken van de kast met werkkleding. In de notenbar ging het minder. De eerste klant vroeg anderhalf pond pinda’s. ‘Pond’ …? Er stonden grammen op de wijzer­plaat, tot 250. Ik heb zakjes gevuld tot ze tevreden was. Het was geen groots genoegen: hartje zomer warme worst verkopen, prij­zen van 30 huishoudelijke artikelen optellen en instellen op de buikkassa. Ik eindigde achter de schermen: gebak afmaken in de keuken. Daar kon ik geen kwaad.
Bij de Casa deed ik mee aan de ombouwploeg op zaterdagen. De studenten gingen eruit en het was onze taak om per kamer gordijnen op te hangen, de bedden klaar te zetten en alles (sanitair en vooral de keukens) grondig reinigen. Ik promoveerde naar de huishoudelijke dienst (zwart gestreept jasje of … juist rood). Vloeren blokken, cv-pompen vervangen, mieren verdelgen en meer. Mijn directe baas was een bijzonder mens. Met zijn speedbootje voer hij van zuid Frankrijk naar Afrika. Of ik zin had om mee te gaan.

Terug naar de boodschappen. Een enkele keer gingen we voor bood­schap­pen naar de stad. Mam wilde het hele stuk best lopen maar om ons kinderen te sparen namen we lijn 9. Kinderen kregen een stem­pel op een groene kaart. Ik vond de motorwagen leuker dan de aanhanger omdat je voorin de be­stuur­der kon begluren. Hij draaide aan een horizontaal geplaatst wiel om ‘gas te geven’. Een wondertje waren de rode en groene lamp tegen het dak. Als achterin iemand op het knopje drukte, ging ook voor de lamp op rood. In de oude Amsterdamse modellen trok de conducteur op verzoek aan een belkoord. De open achter­balkons waren afgeschaft maar de waarschu­wing “Houdt U steeds goed vast. Dubbele remmen.” hing er nog.
Tegen Sinterklaas gingen we naar de Bijenkorf. Ik moet er met mijn snufferd op hebben gestaan als cadeautjes voor ons werden gekocht. Ik herinner me een echt enorme winkel, de Pieten die op en neer klommen en de glazen liftschachten.

Bestonden er erger dingen in mijn kinderleven dan … boodschappen doen? Ja, die waren er, zo realiseerde ik me bij het schrijven van dit verhaal. Bijvoorbeeld een prik halen bij dokter Hertzberger in de Sarphatistraat en naar tandarts Mijna­rends in de Frans van Mierisstraat. Ik herinner me echt de polioprik, ergens 1957 of ’58, waarvoor toen particulier betaald moest worden. De prik vond ik niks maar een overbuur kwam er minder genadig vanaf.
De allergrootste kwelling, groter nog dan boodschappen doen, prik of boren, was … zwemles. Maar dat is een ander ver­haal. Laat ik tot slot melden dat ik een leuke jeugd heb gehad in de Water­graafs­meer zoals moge blijken uit de vorige blog. 

Naar de Simon Stevinstraat V: de winkels

4 Responses to “Stevin… IV: boodschappen”

  1. Martijn Maassen Says:

    goedenavond,

    Héél erg leuk al die verhalen van vroeger!!!

    Ik wilde U vragen of U op de van der Waalschool geweest bent?

    Groetjes Martijn

  2. Frans Says:

    Dag Martijn,

    (En ik ben gewoon ‘Frans’ en misschien niet ‘U’.)

    Dank voor je positieve, enthousiaste reactie.
    Zelf vond ik het schrijvan van dit soort verhaaltjes even leuk als onnut. Tsja.

    En ja: ik deed twee keer het eerste jaar van het Van der Waals. Geen succes dus en ik kan er me maar weinig van herinneren.

    Ik ben zeer zeker benieuwd naar aanvullende feiten.
    Klim in de pen / het toetsenbord!

  3. Peter Fijma Says:

    Dag Frans, Wat een leuke aanvulling op GvO, en -voor mij- heel veel herinneringen en overeenkomsten. Proeskie was de Hofleverancier van onze grootouders uit Betondorp. Mijn vader huurde vroeger vaak bakfietsen voor zijn “sigarenhobby”; zie G.v.O. Jacob Fijma is weer bezig, bij Bijstra; Ik was een langere tijd oppasser van het paard en kar van Ome Krelis uit de Schagerlaan, als hij neutjes nuttigde in het cafe op de hoek Ringdijk/Wakkerstraat en kreeg als dank dagelijks gratis groenten en fruit. OVV-Bertus -die later een goedlopende snackkar runde aan de Radioweg, vergezelde ik achterop zijn motorische bakfiets ! Wijnhandel Van Doornik’s etalages waren prachtig ! Ooit stond er -bij de kuikens- ook een blauwgrijze modeltram. Ik zeurde mijn vader gek en wij trokken naar de plaats-delict. Pa wilde de tram voor zijn lievelingszoon kopen, maar dat lukte niet; de maker wilde er geen afstand van doen en uit arren moede heb ik er -weliswaar van GVB-tekening- er zelf maar een van alle toeters en bellen, zowel in- als uitwendig. Het werd een nog mooiere uitvoering !!! Groeten uit Grootebroek, Peter Fijma.

  4. Frans Says:

    Dag Peter,
    Dank voor je leuke reactie. Amsterdam Oost was/is zekers leuk.
    Ik heb jouw verhalen op HGvO gelezen. Ook mooi!
    Verder … Ik zoek nog foto’s!
    – Bijstra
    – werkende lichtkrant op Het Rechthuis
    en meer. Kun jij helpen?

Plaats een reactie