?

Stevinstraat III: spelen

De Simon Stevinstraat III: spelen

In De Simon Stevinstraat I schreef ik over de bewoners op de nummers 29 t/m 33 en aan de overkant 42 t/m 46.
In De Simon Stevinstraat II: huizen staat iets over de woningen en een beetje over binnenspelen.
Hier gaat het over buitenspelen.
Deeltje IV gaat over de fantastische frustratie van het boodschappen moeten doen.
En dat ‘boodschappen doen’ leidde weer tot V: winkels.
In De Simon Stevinstraat VI komen opa en ‘de fabriek’ aan de orde.
Later schreef ik in VII: vervolg nogmaals over de buurt en de huizen.
De (beperkte) oogst aan plaatjes is te vinden in VIII: foto’s.
Alle andere huizen (Sarphati, Spaarndammer, …) komen later aan bod.

Dit verhaal (en de andere delen) staat, in diverse mootjes gehakt want max. 400 woorden, ook op de site van Het geheugen van Oost. Misschien dat dat nog iets op gaat leveren. Zie aldaar voor reacties van andere Oosterlingen want dat is de plek om in de pen te klimmen zodat een ieder kan meegenieten.

In Amsterdam … op straat spelen, zelfs op de rijweg. Onvoorstelbaar! Er stond zegge en schrijve één geparkeerde auto: het Renaultje 4 van ons. Nog niet zo’n vierkantig koekblik maar het hob­bel­tjesmodel à la Fiat 500. Op de foto het mobiel en broer Bert. Het straat­beeld en speelveld veranderde heftig als gevolg van de komst van de blauwe auto van Huizinga. Auto nummer drie was het DAF-je van Ten Grotenhuis. Later huurde pap een garagebox in de straat en daarin parkeerden hij en Ten Grotenhuis hun auto’s. Het paste in de breedte maar net-net-net. Tegen de ach­ter­wand was nog wel ruimte voor de werkbank en de visspullen.
Het enige overige gemotoriseerde vervoermiddel in de straat was de scooter van tante Ellie.

Iedere tijd heeft zijn spelletjes en spelen. Nu zijn het computerspelletjes en skate­­boarden. Lang geleden werd er gebikkeld. Toen, in 1960 …
Een paar kinderbezigheden waren tijdgrens-overschrijdend. Ik heb nog kleppers gehad, gemaakt door opa. Mam kon klepperen als de beste. Bij mij is het nooit wat geworden. Hetzelfde gold voor tollen. Je had de gewone, makkelijke tol in de vorm van een padden­stoel. De priktol was stukken lastiger. Hoelahoepen is daar­entegen nooit helemaal uitge­storven.
Het kan niet anders dan dat voetbal op nummer één stond. Maatjes waren over­buur Gerrit Huizinga, broer Bert en zijn vriendje Peter Hulskemper. Meiden deden echt niet mee. We hadden enkele vari­anten. Er was putjesvoetbal met een ten­nis­balletje. Daarbij moest de muur van het poetsvrouwtje gemeden worden. Ze stond snel buiten. Het ging dus echt dwars over de rijweg. We riepen “Auto!” als we er eentje aan hoorden komen. De garageboxen gebruikten we voor de varianten twee en drie: doelschieten tegen de deuren of ieder zijn eigen tussen­muurtje om te verdedigen. Op de later geplaatste strook stalen stekelpunten sneuvelden veel ballen maar ze verhinderden niet dat we op het dakje klommen voor een overgeschoten bal. Voor ‘echt’ voetbal konden we op het landje terecht. Dan kon Jan en Alleman meedoen.

Gemengde spelletjes waren er ook, bijvoorbeeld ‘bordje tik’: met een tennisbal het huis­nummerbordje raken. Bij een treffer moest nummer twee in de rij vangen. Alle anderen renden een parkoersje om de lantarenpalen waarbij je prooi was voor de tikker.
Laatst hoorde ik dat ook in Amsterdam West ‘stand in de wand voor …’ werd gespeeld.
Dankzij de vorm van de bovenkant der lantarenpalen konden we een soort korfbal spelen. Raak was een punt erbij en dan weer opvangen gaf een extra beurt. Ik geloof niet dat er veel lampen gesneuveld zijn.
‘Stoeprandje gooien’ met een grote bal zie ik ook nu nog in Harderwijk. Er gelden hier schijn­baar licht andere regels. Bij de Willem van Outshoornschool speelden we in de pauze ‘randje gooien’ op de hartstenen rand van de school (en de kerk?). Dat ‘korfbal’, (stoep-)rand­je gooien en ook badmintonnen waren ‘gemeng­de’ spellen. Ik meen dat ik het af en toe nog gezien heb op scholen: elastieken, een meidenbezigheid. Touwtjespringen doet het nog altijd. Boksprin­gen doet de jeugd alleen tijdens gymnastiek­les.
Het fijnst straatspelen was het op warme zomeravonden. Na het eten en de afwas, als de ‘werkjes’ gedaan waren, mochten we met z’n allen wel tot negen uur, jaja, buiten blijven. Als ik daaraan denk, ‘hoor’ ik het gekrijs van de zwa­lu­wen.
Misschien is dit de beste plek om een familiedrama te onthullen. ‘s Zomers, op maandag als pap naar de huizenveiling in Frascati was, zette mam de klok, alle klokken, een uur vooruit. Dat was haar eigenste zomer­­tijd zodat ze een uur eerder van ons kinderen af was. Toen ik de jaren des onder­scheids bereikte (= huiswerk moest maken), werd ik ingewijd in dit bedrog.
Met Gerrit aan de overkant had ik een blikjestelefoonverbinding. De geluidskwa­li­teit viel altijd tegen ;-).

Senefelderstraat04Bijgaande, unieke foto komt van Jos Mol en is genomen in 1970 door zijn vader W.J.A. Mol. Ze woonden Senefelderstraat 19”.
Langs de Senefelderstraat lag een nog onbebouwd stukje grond: ‘het landje’. Zoals gezegd voetbalden we er maar als gevolg van andere activiteiten ging dat niet zonder hindernissen. Op de voor voetbal geschikte stukken groeven we namelijk gaten en sleuven, groot, breed en diep. De attractie was dat het grond­water al bij vijftig centi­meter opborrelde. Het werd een stinkende, bruinige drab. Picknicken op het landje was eerder een meidenactiviteit maar ik heb eraan meegedaan. Aardap­pels poffen kon me wat langer bij de picknick-les houden.
Ergens in de hoek van het landje was een zanderige plek waar we ‘landje pik’ speelden: met een mes of dolk in een vierkant afgetekend stukje grond mikken en dan een grenslijn trekken.
Weer naast het landje stonden de klimtoestellen, schommels en stapstenen van de Don Bosco speeltuin­vereniging, de naamgever van het wijkje. Merkwaardig trou­wens om een van oorsprong nogal Hervormd en Gereformeerd stukje Amsterdam te noemen naar een Katholieke held.
Toen ik showend en slingerend aan een voetbaldoel plat op mijn rug klapte, ‘zon­gen’ Marijke Hulskemper – zus van broer Berts vriend, met interessant krulhaar – en haar oninteressante vriendinnetje: “Fransje heeft nog één kansje.” Ik zal haar uit frustratie en vernedering geslagen en geschopt hebben. Onze wederzijdse ouders hebben de zaak gesust.

Tussen de Maria Immaculata- en de Mytylschool, vanaf het landje tot aan de Ringdijk, ston­den struiken. Struiken met witte besjes eraan, uitstekend geschikt voor de blaaspijp (16 mm pvc elektrabuis). Als alle bessen eraf waren, draaiden we pijltjes van stroken tijdschrif­ten­papier. Ik kan het nu nog maar voor de eerste pijlen moest ik terug naar huis. Mam maakte dan één nieuwe pijl die zo lang mogelijk hergebruikt moest worden. Toen Gerrit, Bert en ik het draaien onder de knie / in de vingers hadden, konden we een kamer vol schieten door het open raam. Toppunt van venijn: een speld meedraaien in de punt en daarmee van de bovenwaranda mikken op de kont van de ijsman. Ook van de bovenwaranda: schelpjes vullen met een klodder tandpasta en dan naar beneden gooien naar de badmintonners. Mam later: “Dacht je nou echt dat we jullie niet doorhadden?” Lange tijd had ik een super-de-luxe katapult maar de blaaspijp was toch favoriet. We knutselden dubbelloops exemplaren met vizier. Met een mond vol bessen kon je herhaald ‘vuren’.
Die struiken waren ook geschikt voor diefje-met-verlos. Als ‘verlos’ diende de vlaggenmast op sokkel bij de hoofdingang van de Maria Immaculataschool.

In die school werden in de grote zaal op zondag(?)­middag films gedraaid. Voor een dubbeltje (kwartje?) kreeg je enkele teken­films en/of een hoofdfilm. Zoals er waren: Ivanhoe, Robin Hood, superhond Rintintin en een nep-Tarzan.
Met school gingen we een enkele keer naar de BIO aan de Middenweg. Ik her­inner me de film ‘De negerhut van Oom Tom’. Bij iedere voorstelling werd daar gecollecteerd voor het BIO vakantie­oord.

Luilak vereiste de nodige voorberei­din­gen. Met een leeg schoensmeerblikje, een halve knijper en dikke elastieken bouwde je een ratel aan je voor- en/of achterwiel. Het was niet zo best voor je spaken. Lastiger was de sirene: touwtje om de achternaaf naar een conser­ven­blikje op de bagagedrager. Met alles in dubbele uitvoering maakte je veel lawaai maar geen vaart. Standaard werd er belletje getrokken en geschreeuwd.
Een keer ben ik me te buiten gegaan aan echte baldadigheid. Of ik (mede) dingen heb vernield, staat me niet meer voor de geest maar we zaten op het dak van het postkantoor. Tot de politie kwam. Luilakbollen kocht ik bij bakker Hoffman in de Wakkerstraat, via het luik naar de bakkerij in het sousterrein.

Ik ben nooit zo’n fervent visser geworden als mijn vader maar ik heb heus wel regelmatig aan de Ringdijk geze­ten. Met pendobber vissen op voorn, met rood-witte balletjes (kralendobber?) voor baars. Een heel enkele keer kwam er een glazig wormachtig gevalletje voorbij: een glasaaltje? ‘s Winters was het de plek om te schaat­sen. [Tijdens een wijkwandeling in 2016 met Jannie van Franeker memoreert ze dat er vroeger geen stenen beschoeiing was. Je kon met je ‘schaatsen onder’ tussen een beetje riet door het ijs op glibberen.] Maar wat een hondenstront lag er in het gras.
In de slootjes bij Klein Dantzig schepnetten we op stekel­baars.

Door de week bemoeide pap zich niet echt veel met de kinderen, op zaterdag ging hij vissen maar op mooie zondagen trokken we erop uit. Hij reed ons naar Bergen (NH) of het Gein.
De routes naar Bergen kon ik dromen. Door Amsterdam, langs de Westergas­fabriek en station Sloterdijk. Dat bestond uit één (1) perron en erachter zag je het kerkje met het witte houten torentje. Dan was het de keus tussen de pont bij de Hembrug of via de met betonplaten bedekte weg (doenk-doenk, doenk-doenk, …) langs het Noordzeekanaal naar de Velsertunnel. Maar meestal reden we over de Schelling­wouderbrug door Noord en dan een heel eind langs het Noordhol­landsch Kanaal. Bij echt spetterend weer gingen we naar het strand. Vaker werd het Bergen Binnen, naar de Waterleidingduinen waar de kikkervijvertjes lagen. Tijdens dergelijke tochten maakte ik in later jaren kennis met een vreemd ver­schijnsel: de weg raakte verstopt. Stonden we zomaar vijf minuten te wachten in een lange rij auto’s ;-).
Het Gein … Dat was gewoon een leuk riviertje tussen, echt waar, eindeloze weilanden. Sinds 1970 is het de eindeloos bebouwde Bijlmer.
Aan de ene kant weilanden en aan de andere water, water, water als we een tochtje maakten over de IJsselmeerdijk. De weg was (en is nog steeds) griezelig smal.
Langs de Amstel reden we tot Ouderkerk met heel soms een stop bij Het Kalfje, de Molen of het Miranda­paviljoen.
Om vrijwillig de toen noch afwezige herrie op te zoeken, gingen we naar het oude Schiphol (nu Schiphol Oost) om vliegtuigen te kijken.

Ik heb op drie ‘clubs’ gezeten: de kinderkerk, op padvinderij en Jeugd EHBO.
Kinderkerk op zondagmorgen was dubbelplus onleuk. Mam sliep uit, pap deed zijn best op het ontbijt (oh wonder: hij kookte eieren), wij deden ons best om te laat te komen door uiterst traag aankleden. Er hing altijd een licht aangebrand sfeertje.
En dan ter kerke onbegrijpelijke liedjes kwelen: “Jezus zegt dat hij hier van ons verwacht, dat wij zijn als kaarsjes, brandend in de nacht.” Deze tekst was al gek maar ik kon het nog een beetje volgen. De echte gezangen en psalmen … on-on-onbegrijpelijk. Wat moet je, als achtjarige met “Een vaste burcht is onze God, een toevlucht voor de zijnen …”.
Sommige verhalen waren best mooi als we een goede verteller hadden, met flanelbord. Zelden treiterde ik een schoolmeester of -juf. De kinderkerk heeft me zover gekregen dat ik meedeed met speldje-plingen: een speld onder je tafeltje vastprikken en laten trillen. Eén keer ben ik, uiterst recalcitrant, gewoon niet naar binnen gegaan. Het gevolg: een uurtje over straat zwalken en dat was ook geen oplossing.
Mijn padvinderscarrière op de Prinses Margriet­groep duurde van 1962 tot 1967. Het troephuis zat in het laantje achter Van Vliet en Wielinga. Het was een bliksem­car­rière: van gewoon ‘vinder’, via APL tot patrouilleleider van de Zwaluwen en toen vaandrig naast hopman Ruud Willemse(n).
Het gemopper op de padvinderij (mili­ta­ris­tisch, auto­ritair, …) laat ik aan anderen. Ik heb er vooral veel leuke avonturen be­leefd. Over­nach­ten in het troephuis en dan tafel­tennis­sen tot de zon weer op kwam, kam­peer­­weeken­den op ons terrein­tje in Hollandse Rading en in het Beuken­woud, een ontvoeringsspel op en rond het Rem­brandt­plein, zomerkamp in Luxem­burg, kamp­vuren, torens pionieren en kok spelen bij kampen van de welpen. Ik had wel belangstelling voor leidster Gerda Zoet.
Na verloop van tijd werd ik de vaandrig-verantwoor­de­lijkheid zat en de club begon in te zakken. Via het EHBO-insigne was ik bij de Jeugd EHBO terecht gekomen. Het gebouw zat eerst in de Paulus Potter- en later aan de Rapen­bur­ger­straat. Een voor mij niet onbelangrijk aspect was dat je, bij het aanleggen van spalken en verbanden, legaal aan de meisjes mocht zitten ;-).
Ook hier heb ik niet slecht geboerd en veel leuks beleefd: met het Amsterdamse en Neder­land­se wedstrijdteam (wie treedt het best op bij een gefingeerd onge­val, soms zelfs met Lotus-slachtoffers), naar Crailoo voor een oefening van de Burger Bescherming, Rotterdam en Goslar. Door ziekte van een beschaafder medelid mocht ik zelfs mee naar een ‘confe­ren­tie’ in Varna (Bulgarije). Maar dat heeft niks meer te maken met Amsterdam Oost.

Naar de Simon Stevinstraat IV: boodschappen doen.

Plaats een reactie