?

Stevinstraat II: huizen

De Simon Stevinstraat II: de huizen

In De Simon Stevinstraat I schreef ik over de bewoners op de nummers 29 t/m 33 en aan de overkant 42 t/m 46.
In dit stukje iets over de woningen op 31: begane grond en één hoog. En ook wat over de spullen en spelletjes in huis. De bouwtekeningen (!) kun je vinden in VII: vervolg.
Buitenspelen was een feest: lees deel III.
Deeltje IV gaat over de fantastische frustratie van het boodschappen moeten doen.
En dat ‘boodschappen doen’ leidde weer tot V: winkels. Een duffe opsomming van alle winkels in de wijk.
In De Simon Stevinstraat VI komen opa en ‘de fabriek’ aan de orde.
Later schreef ik in VII: vervolg nogmaals over de buurt en de huizen.
De (beperkte) oogst aan plaatjes is te vinden in VIII: foto’s
Alle andere huizen (Sarphati, Spaarndammer, …) komen later aan bod.

Dit verhaal (en de andere delen) staat, in diverse mootjes gehakt want max. 400 woorden, ook op de site van Het geheugen van Oost. Misschien dat dat nog iets op gaat leveren. Zie aldaar voor reacties van andere Oosterlingen want dat is de plek om in de pen te klimmen zodat een ieder kan meegenieten.

Het waren fantasierijk gebouwde huizen in dit stukje Simon Stevinstraat. Geen twee waren er gelijk. De meeste hadden twee woonlagen. Die zaten als het ware door of om elkaar heen gevlochten. Een plattegrondje wil daardoor ook niet echt lukken. Ik maak dat goed in De Simon Stevinstraat VII: vervolg met heuse bouwtekeningen. De bouwstijl: een beetje Amster­damse School, met van die hoog geplaatste ramen en hoge, dichte warandamuren.

Bij opa en oma Ketting op 31-huis stonden er in het begin nog kolenkachels in de voor- en achterkamer en kolenfornuis in de keuken. De kolenvoorraad lag in de tuinschuur. Wij op één hoog begonnen meteen met een gasfornuis, een gas­haard in de achter- en een oliehaard in de voorkamer. Maar in beide won­in­gen op de bovenverdiepingen … niente-noppes verwarming. Bij ons was het behelpen met een los (“Pas op dat je niet …!”) tweepits olie­­kach­eltje (Etna?) op de gang en later ook met elektrische straal- en blaas­­kach­eltjes. ‘s Win­ters huiswerk maken was behalve vervelend dus ook kou lijden. Als je in de straal zat, werd je geroos­terd, erbuiten was het slechts 10° koud. Ze staan bij tientallen in het museum ‘Oude ambachten en speelgoed’ in Terschuur. De blaaskacheltjes waren al iets hu­ma­ner: prettiger warmte maar veel lawaai.
De tuin bij het huis van mijn grootouders vond ik echt te klein. De tuinen van de meeste buren waren groter. Hier kon je niet eens fatsoenlijk voetballen. Ook had opa teveel bomen geplant die de boel overschaduwden. De grote gouden regen­boom (met giftige peulen) mocht er echter zijn. De goudvisvijver achterin was mooi en … diep. Hij was namelijk gegra­ven, eind WOII, als schuilkelder. Aan de rechterkant bouwde opa een volière, uit­eindelijk helemaal vanaf het huis tot de schuur.
Achter de voordeur zat een krap halletje met de ‘glazen deur’ naar de gang. Te krap voor fietsen dus die moesten het hele huis door, door de tuin en dan in de schuur: erg onhandig. De gang: nu ineens realiseer ik me dat daar wat raars mee was. Met een knikje liep hij een beetje schuins weg naar links. Direct rechts zat de deur naar de voorkamer. Naast die deur hing de forse zwarte wandtele­foon met draaischijf (020-55147) die overgeschakeld kon worden naar de fabriek. En dan een opgebouwd schuin handschoe­nen­­kastje met spiegel en lamp. Er tegen­over de stevige Ketting-kapstok en het toilet met een krappe douche. Die ruimte zat onder ‘onze’ trap naar één hoog en had dus een schuin, dalend plafond. (Vast ritueel: opa komt thuis, ruikt naar hout, heeft hout­krullen in zijn haar en gaat douchen.) Daarnaast de trap naar boven (zie verder) en aan het eind van de gang de keuken. Rechts, net voor de keuken, nog een schuine kast met daarin de Hoover-stofzuiger. Ik verdenk opa ervan dat hij de deur naar de achter­kamer weggewerkt heeft. Om daar te komen moest je namelijk omlopen via de voorkamer. “Waarom hebben ze niet zo’n handig en spannend door­geef­luikje?”, dacht ik als ik voor de vierde keer naar de keuken werd gestuurd, nu voor een theelepeltje.
Het kolenfornuis in de keuken verdween (tussen ’65 en ’67 kwam in Amsterdam overal aardgas beschikbaar) en een wasmachine was verschenen. Zo’n ding met drie schoepen en een wringer bovenop. Je moest er zelf heet water in kieperen. Het vieze water ging, via een slang aan de onderkant, teiltje voor teiltje naar de tuin. Primitief maar boven deed mam de was nog in een grote wasketel die op het fornuis werd gezet. Het verhaal gaat dat Ellie als kind met haar arm in de wringer terecht is gekomen. Jesses.
In de achterkamer had mijn opa, meubel­maker en binnenhuisarchitect, flink uitge­pakt. Die kolenkachel (op de foto inmiddels een gas­haard) stond voor een schouw van smalle verticale latjes met een inge­bouw­de klok en verlichte (!) cijfer­punten. Rechts een aan de muur en in de hoek verwerkt buffet en daarnaast een in de wand opgenomen bureau waar ooit kasten hadden gezeten. Het grootste wonder daar weer in was de speler voor bakelieten platen. Ik weet niet meer of het zo’n ding met slinger en hoorn was. Ik denk van niet. Opa hield van aria’s; hij kon ze zelf zingen. De ‘ronde tafel met glazen plaat’ en de fauteuils zijn later naar boven, naar ons, verhuisd. Martha is nog door de glasplaat gegaan, gelukkig zonder narigheid. Bij de ‘ontruiming’ in 1990 ondergingen ze het tragische lot: naar de kringloop. Het was een mooie set, stijlvol, maar niemand had er plaats voor. Aan de muur hingen enkele van zijn overgebleven schilderijtjes. Vele andere waren in de Tweede Wereldoorlog omgezet in voedsel.
De voor- en achterkamer dienden – waren belastingtechnisch gezien – ook als een soort toonkamers voor het bedrijf. Het schijnt meer dan eens voorgekomen te zijn: klant komt mee naar huis en ziet een mooi meubeltje. “Wat zou zoiets nou moeten kosten?” Dan was de koop snel gesloten en oma achteraf woedend. “Zus, ik maak voor jou iets nog veel mooiers.” Wat nooit gebeurde.
Via een rechte trap met lichtschacht erboven kwam je bij twee slaapkamers. Op het over­loopje ertussen zat de wastafel. Als opa zich daar schoor met het mes: “Niet naar boven!” 1961: tante Ellie en vriendin ‘tante’ Wil op de onderste treden luidkeels West Side Story-liedjes kwelend. Op familie­feesten en hoogtijdagen gebruik­­ten we de trap als een soort glijbaan: naar boven, trapleuningen vast, armen stijf en glijden maar, zonder de traptreden aan te raken. Of in de breedte: links steunend met armen op de leuning, rechts de voeten erop.
Het andere familiespel bij opa en oma was sjoelbakken op de super-opa-sjoel­bak. Zusje Els keilde de stenen zowat door de ruiten. De bak verhuisde met mij mee tot de Leenhofweg in Epe. Een onattente klusjesman heeft hem daar op zolder voor eeuwig ‘weggetimmerd’ achter een kastenwand. Dat mijn opa’s geest het mij niet euvel duidt want deze klusser was de eerste en laatste zwartwerker die ik inschakelde. Als we weer eens bij Lakkas gaan eten, zal ik een poging doen om de nieuwerste bewoners erover te bevragen ;-).
Op de slaapkamer van opa en oma, aan de straatkant, kwam je bijna niet. Het was er krapjes en duister. In die andere kamer heb ik dus in 1956 een keer gelogeerd. Er stond een modelschip in een fles, van en door oom Han (plus opa).
Ik denk nu: een aardige starterswoning maar niet zó ruim voor een gezin met drie kinderen. En zo donker van binnen: boven was alles donkergroen of -bruin geschilderd, kleine ramen, zware velours gordijnen.

De Simon Stevinstraat 31-1. Achter de voordeur zat bij ons rechts een hoge nis. Een prima plek om de fietsen te stallen, tot vier exemplaren toe in twee lagen. De step kon er ook nog bij.
Na de draai in de trap kwam je op de gang. Van boven konden we de voordeur openen met een trektouw. (Op 33-1 hadden ze daarvoor, vanwege de twee trap­pen, een lawaai-makende stang.)
Waar de gang bovenaan de trap door kinderen al niet voor misbruikt kon worden: knikkeren, autootje racen over de gekleurde stroken in de kokosloper en meer. Het summum was: deuren open en daarin de schommels ophangen.
Links in de gang waren het toilet (met haakje op de deur) en de keuken.
Keuken met links een aange­bouw­de kast: boven glazen deurtjes, onder hout, ertussen een opening met daar het … snoep­trom­meltje. Per dag mochten we één hartje of Engels dropje. Die kast is gesloopt en het gasfor­nuis en aanrecht verhuisden van links naar rechts.
‘s Winters werden de pitten van het oude fornuis hoog opgedraaid zodat we ons niet in al te extreme kou konden aankleden. Later werd dat, die keuken­hoek, de gezel­lig­ste plek van het huis: onder het pannenrek aan het keukentafeltje kwebbelen met mam.
Slechts in één huis in de Willem Beu­kels­straat zit nog de oorspron­ke­lijke keuken.
Tegenover de trap de deur naar de ach­ter­kamer. De ach­ter­kamer was voor­zien van een heerlijke waran­da. Mam creëerde daar ‘s zomers haar ‘bloemen­tuin’. Echt mooi maar zo jammer dat geraniums stinken. In het midden van de kamer lag een lekker zacht tapijt. Heerlijk om op te liggen lezen (Donald Duckjes) en de patronen waren er om met autootjes over te rijden. Die tapij­ten werden in het voor­jaar opge­rold, naar buiten gesjouwd en over een trap­leer gehangen voor een klop­beurt. Alle vormen van vaste vloerbedekkingen in de Simon Stevin­straat 31-1 zijn gelegd door Hanekamp uit de Senefelder­straat. Hij werkte vanuit de gara­ge­box naast de onze. De uiterst kunstzinnige, heel bijzon­de­re (ik vond hem nooit en niet mooi) lamp in de achterkamer is met broer Bert verhuisd naar Barcelona. De twee vaste kasten werden na verloop van tijd ver­van­gen door een ingebouwd bureautje met uitklapbaar werk­vlak, net als beneden bij opa en oma. Daar deed mam het tikwerk voor makelaars­kantoor Van Zelm. Baas Van Zelm maakte daar ook zijn fineerwerkjes. Ik herinner me ‘Het straatje van Vermeer’. Voor het snijden van de honderden steentjes had hij een malletje gemaakt. Het was priegelgedoe met mesjes en pincetten. Het eindresultaat werd door opa Ketting op een achterplaat geperst.
Tussen voor- en ach­ter­ka­mer schuifdeuren. Links daarvan zat de gashaard.
Precies aan de andere kant van de schuifdeuren, in de voorkamer stond de oliehaard. Diagonaal daar­tegen­over, tegen de buitenmuur, een opgebouwde muurkast. Dat was de ‘spelletjeskast’, van boven tot onder gevuld met moois, onder andere een rijk voor­ziene blokkendoos (opa Ketting). Onderin, omdat het loeizwaar was, een oorver­do­vende hoeveelheid Meccano. De inhoud van alle dozen 1 t/m 10, sommi­ge zelfs dubbel, overgenomen van dhr. Wollie de Leon (paps baas). Naast de spelletjeskast stond het naai­kastje waarin de naaimachine op wonderlijke wijze kon wegzinken (natuurlijk een maaksel van opa). De deur van gang naar voorkamer is bij de verbouwing – onder andere het samentrekken van voor- en achterkamer – weggemoffeld. Het werd, aan de gangkant, de plek voor kapstok en schoenen­kastje.
Waar stond het dressoir? Voor of achter? Het moet tegen de linker muur zijn geweest. Nou was het een aantal jaren de gewoonte om de kamers te ‘wisselen’. Dat was een spannend gebeuren en het had te maken met zomer en winter. In dat dressoir zaten twee, achter de middendeuren verstopte laden. Spannend om erin te snuffelen. Volgens mij lag het ‘wat-te-doen-als-de-bom-valt’ boekje daar ook. Snuffelen … Ook in de laadjes van de toilettafel op de ouderlijke slaap­ka­mer. Snuffelen in de duizend-en-tien dingen in paps bureau was het spannendst maar dat mocht echt alleen onder toezicht. Alles zat tot op de millimeter in­ge­past. Het dressoir stond later in de Van Ostade en ging toen naar de Leenhofweg en verder. Eerst een beetje tegen mijn zin maar ik ben dat meubel gaan waar­de­ren.
Rechts in de gang, aan de straatkant, zat de zijkamer die eerst diende als knutsel- en speelkamer en later als het kantoor van Makelaardij Van Zelm. Een ‘kantoor’ op vijf vierkante meter ;-). Ik tik dit hele gedoe, gezeten aan het bureau van pap, een onver­woest­baar stalen gevaarte, wellicht in ’45 over­genomen uit het US legerdepot. Op de foto staat een Hermes-typemachine, opvolger van de elektri­sche IBM met bolletje. En die verving een oeroude en loodzware mechanische Underwood. In de knutselkamertijd had pa er rechts een heuse werk­bank met veel gereedschap en eindeloos veel spijkertjes en schroe­ven. Tot op de dag van vandaag heb ik ze niet ‘op’ gekregen. Net zo min als zijn voorraad nietjes in het bureau. Aan de andere kant in de knutselkamer zat ook een plaat langs de muur, bedekt met rood zeil. Eronder, achter een groenig gordijn, de zware zinken vuilnisbak, kattenbak en meer. Tegen de muur erboven de plastic zwaarden, schilden en ander wapentuig van Bert en mij. We hebben er heel wat uren ‘Ivanhoe-tje’ op zitten.
Avontuurtje van pap … Om de beitels te slijpen (jaja, dat gebeurde echt) had hij een slijpsteen met handaandrijving: moeizaam en lastig. En er was nog een overgeschoten stofzuigermotor. Een en een is twee. En het werd drie want door de middelpuntvliedende kracht spatte de slijpsteen uit elkaar. De inslagen in de muren en in het plafond werden door mam met lippenstiftcirkels gemarkeerd.

De trap naar boven had een dubbele draai. Ook deze trap diende een speeldoel. We klommen via leuning en balustrade naar boven. In het trapgat hingen we ons klim- en zwaaitouw. Op de platte bovenkant van een sierpaal in de korte kant van de draai stond het sierlijke eetbelletje. En dat brengt de binnenbel met touwtje in herinne­ring. Waarschijnlijk mijn enige bouwkundige bijdrage aan dit huis.
Het fonteintje boven, links van de trap, is vervangen, eerst door een wastafel en daarna door een volwaardig toilet. De jongens deden er toch al wel eens een plas.
Linkser zat nog de, zeer ruime, douche (onze eerste eigen verbetering en uniek voor die tijd; ik heb erbij staan kijken hoe een Italiaan de granitovloer legde) met daarachter/naast het rommelhok. In 1963 werd de helft daarvan mijn eigen­ste kamertje. Ik kreeg er het bureautje van pap om aan te werken. Jammer dat er maar twee kleine raampjes in zaten en helemaal langs het plafond. Ik moest op een stoel gaan staan om met m’n verrekijker de buren te bespieden. Een poging tot ruil met de veel ruimere kamer van (domme) broertje Bert, strandde op een interventie van pa. En waar hadden de kwartels op zijn kamer moeten blijven in mijn hok? Nog een herinnering aan die plek: ik lag enkele weken te bed met Pfeiffer, te lam om een hand op te tillen. Mam poetste mijn tanden en waste mijn gezicht. Ik luisterde keer op keer naar de Psalmen­sym­phonie van Stravinsky want een plaat verwisselen kostte teveel kracht. De sfeer van die muziek paste prima bij mijn gemoedstoestand.
De ouderlijke slaapkamer keek uit op de tuinen en had een, zo mogelijk, nog mooiere waranda. Op hete dagen werden de zinken wasteilen hier voor ons gevuld om uren in te weken. Met regelmaat werd de breimachine van onder het bed vandaan gehaald. Er zijn daar wat truien en vesten op in elkaar ge­draaid. Behalve een brei- was het ook een speelmachine: de honderd of meer naalden, de toerenteller, alle schuifjes.
Even 180° draaien: ook aan de straatkant zat een waranda over de volle breedte. Links de slaapkamer voor de meisjes, rechts voor de jongens. Zoals gezegd: in de winter kon het er vriezen. ‘s Zomers tikte de was tegen het raam, heel erg griezelig. In plaats van schaapjes tellen, berekende ik hoe hoog het water zou komen als de Ringdijk door zou breken.
Bij aanvang deelden Bert en ik een opklap­bed. Onder andere vanwege herhaald terugkerend gedonder, kwam er voor mij een eigen eenpersoons­opklapbed. De beide ombouwen stonden vol met onze bouwpakketten. Het laatste exem­plaar, en tevens topmodel, was Berts F1-raceauto. We hadden een Starfighter, een Phantom, houwitser en veel meer oorlogstuig. In de zestiger jaren doorbraken echte Starfighters boven Amsterdam de geluidsbarrière. Die dingen wilden nog wel eens naar beneden komen. Misschien inspireerde dat ons, Bert en mij, om de ‘minste’ vliegtuig­modelletjes met elastiek van de bovenwaranda te schieten. Ze vlogen slecht. Voor het neer­klappen der bedden en het opzetten van het onderschuifbed van Els werd wekelijks een zakcentje uitbetaald.
Op de voorwaranda stond ook het vat van de oliekachel. ‘s Winters werden er wekelijks zes (?) groene 20-liter (?) vaten bezorgd. Het was een betaald klusje om die naar twee hoog te sjouwen. Ook het overgooien van een blik in het grote vat werd ‘gesubsidieerd’. Het aan­steken van de oliehaard was een lastig klusje. De kinderen moesten op afstand blijven want het ding kon ploffen. In een vul­pijp­je aan de voorkant werd wat spiritus geschonken en aange­stoken om de pot voor te verwarmen. De olietoevoer moest voorzichtig en op het juiste moment open gezet worden. Een enkele keer verzoop dat ding. Geen idee hoe dat werd opgelost.
Opa en oma deden in honden, wij in katten. De al oude Bagheera (we waren allen padvinders) raakte compleet gestrest van de ‘grote verbouwing’. Hij klom op het plateautje in de binnenbocht van de trap naar boven, dommelde weg en viel dan anderhalve meter naar beneden. En dat herhaalde zich vijf keer per uur. Zielig. En een raar eind van ‘De Simon Stevinstraat II: de huizen’. Zo gaat dat. 

Naar de Simon Stevinstraat III: spelen

2 Responses to “Stevinstraat II: huizen”

  1. Vera van der Hilst Says:

    Dat ziet er heel goed uit, Frans.
    Ik meld je dat niet alle huizen in ‘ons’ stukje straat dubbele woonlagen had. Het huis van Opa Guster had alles op de begane grond, net als het huis van Piet Cornelissen.

    Ik herinner me ook ALTIJD in de winter de bloemen op de ramen, niet alleen in de slaapkamers maar zelfs in de huiskamer.

    Ik weet nog dat mijn vader werd ingeschakeld toen er een bezoeker over jullie poes (Bagheera?) heen gevallen was en de poes met spoed naar de dierenarts op de Polderweg vervoerd moest worden. Jouw vader was een dagje vissen. In de Simca 1000 met jouw moeder en de poes in een afgesloten kartonnen doos in volle vaart op weg. Het mocht niet baten.

  2. bert van zelm Says:

    Over de poes; het was Vlekkie, een heel leuke poes. Oom Piet kwam op bezoek en wilde Els met veel lawaai een beetje kietelen. Vlekkie (die vaak naar Els haar benen rende, ze even aantikte en Els daarmee op stang jaagde) kwam Els te hulp en toen viel oom Piet bovenop Vlekkie…

Plaats een reactie