?

Invalmeester III

Uit familie- en vriendenkring kreeg ik enkele reacties op de blogs ‘Invalmeester I’ en ‘II’:

  • Zou je niet gewoon stoppen met invallen in hogere groepen?
  • Je blogs vervulden me met enige droefenis.
  • … de gehele uitstraling ervan [is] toch naar mijn gevoel erg negatief.
  • Ze [de blogs] zijn van dusdanige uniforme zwaarte en somberheid, dat het geloofwaardigheid verliest. De boodschapper brengt zichzelf om met dit bericht.
  • Bij lezing van je verhalen zal men denken: “Dit is typisch een verzuurde school­frik.”

Mijn verdediging … Want ook na herlezen van de verhalen, blijf ik bij wat ik geschre­ven heb. Invalmeester I is een ‘realistische’ beschrijving van een ‘fictief’ eerste kwartier in een klas. Invalmeester II geeft weer hoe onderwijzers, inval­lers en vasten, denken over en omgaan met het probleem. Lees eventueel ook deze verdere verdediging.

Op bovengenoemde reacties had ik toch echt geanticipeerd. Ik schreef onder andere:

  • “Invallen is leuk maar …” Nogmaals; dat u het maar in zich opneemt: ik vind invallen in principe echt leuk om te doen.
  • “Om bij voorbaat de indruk weg te nemen dat u hier met een misopeed (kinder­hater) te maken hebt …”.
  • “Het loopt natuurlijk lang niet altijd zoals ik hierboven heb beschreven. Vaak gaat het er een stuk gemoedelijker aan toe.”
  • “Voor alle duidelijkheid: ik verwijt de kinderen, de moeilijke, eigenlijk niks.”
  • “Een klokkenluider gaat altijd koppie onder.”

Deze ‘voorbehouden’ hebben blijkbaar niet gewerkt.

Over het algemeen kan ik het toch goed vinden met kinderen. Om de verkeerde indrukken te temperen, moet ik daarvan dus enkele voorbeelden gaan geven. Het voelt overigens ongemakkelijk om lovende woorden te schrijven; het voelt een beetje genant.

  • Die twee kinderen van mezelf … Inmiddels zijn ze volwassen maar ik ben nog altijd betrokken. Er waren en zijn soms wat zorgjes maar respect voor hun doen en laten overheerst. Alles plussend en minnend: best aardig.
  • Ik ontmoet weer eens mijn nu vijfjarig Amerikaanse neefje. We rommelen wat in de tuin. Dat loopt er onvermijdelijk op uit dat ik niet weet waar hij gebleven is. Dolle pret.
    Hij komt aan met een pissebed. “Where did you find that snake?” “Oh no! It’s a … a … I don’t know.” En ik weet het ook niet in het Engels. (Volgens Google is het een ‘millipede‘.)
    Bij vertrek druk ik hem op het hart dat hij niet teveel stenen moet meenemen in vliegtuig omdat het dan niet kan opstijgen. Hij kijkt naar zijn moeder: “He’s joking, isn’t he?”
  • Ook de buurjongen, zelfde leeftijd ongeveer, weet inmiddels wat voor vlees hij in buurmans kuip heeft.
    Met zijn zusje van één heb ik bij het tuinhek uitgebreide ‘bla-bla-gesprekken’.

Op deze manier schrijven over kinderen en hoe dat bij mij werkt, vind ik tame­lijk klef. Maar om meer bewijzen te leveren, ga ik toch nog even door. Ik voel me namelijk in de verkeerde hoek gezet te worden.

  • Het deed me goed om, via via, te vernemen dat er een gejuich opging toen de leerlingen van een bepaalde klas te horen kregen dat ik weer eens een dagje zou komen. Het was trouwens een wederzijds genoegen.
  • Groep 7 OctopusTijdens een dictee (ik lees de zin­nen, de woordjes; de leer­lin­gen doen hun stinkende best) verveel ik me eigenlijk te pletter. Zonder erbij na te denken, pak ik een rolmaatje. Plotseling: “Ralf, wil jij even gaan staan?” Hij kijkt ver­baasd, schrikt, maar staat. Ik meet: “Jij bent … 1,44. En nu gaan we verder met het dictee.” Maar na afloop: “Meester, wilt u mij ook meten?”
    Om een lang verhaal kort te ma­ken: we zijn tijden bezig met meten en ook wegen, bespreken en zeer leerzaam rekenen. Het leidt uitein­de­lijk tot een mooie grafiek.
  • Bij een kleuterklas ga ik aan het begin van middag in de weg staan in de deuropening, zo maar, ik weet ook niet waarom. Ze mogen wel naar binnen maar alleen ‘onder het poortje door’. Eén op de vijf wordt ‘gegrepen’. En maar luidop tellen: “Een, twee, drie, vier, VIJF!” Want er moet ook wat geleerd worden van de lol. Gedurende de rest van de invalbeurt ontkom ik er niet aan om steeds ‘voor poort’ te staan.
  • In een groep acht hebben we een heel serieus gesprek wat er moet gebeuren als de olievoorraden in Egypte opraken. De besproken geopolitieke krachten wekken kinderlijk-klare verbazing en ergernis.
  • Ik vertel met groot plezier de gekste griezelverhalen (alleen bij oudere kin­de­ren). Zo geloven ze half wel maar toch ook niet dat ik op Schweinstein heb gezeten, dat ik ben vliegtuigverongelukt, dat een schoolklas van Schier­mon­nik­oog in het niets verdween (nooit meer wat van gehoord) en dat Sinter­klaas bij mij boven een cadeauopslagplaats had.
  • Twee keer bezocht ik ‘s avonds het schoolkamp van een groep 8, toevallig in de buurt, waar ik op school inviel in een andere klas. Je ziet dan soms ineens een andere versie van hetzelfde kind. En het is leuk om mee te doen aan de spelletjes en spelen. Ik zal de kans niet aan me voorbij laten gaan om bij het kampvuur zo’n griezelverhaal te vertellen.

Met deze voorbeelden hoop ik duidelijk te hebben gemaakt dat ik vaak veel plezier beleef met kinderen, particulier en in functie als invalmeester. Bij nader inzien: het was leuk om over deze kant van de medaille te schrijven.

Maar … En nu dus weer met beide benen op de grond.
Er zijn klassen en kinderen waarbij het anders werkt: de moeilijke klas, het moeilijke kind. En dát was het onderwerp van de blogs ‘Invalmeester I’ en ‘II’. Echt een vervelend onder­werp dus. Ter vergelijking: motorrijden is vast leuk maar moet je dan ook een gezellig verhaal schrijven over ongevallen met dode­lij­ke afloop? Ik dacht van niet.
Ik weiger dus, omwille van ‘pedagogisch correct denken’, mijn mond te houden over die paar echt vervelende schoolklassen en enkele moeilijke kinderen. Een paar, enkele; of zijn het er toch tamelijk veel, afgaande op het grote geklaag over falend onderwijs?
Ik wil in ieder geval gewoon kunnen zeggen waar het op staat; ik wil mogen beschrijven wat er gebeurt; zeggen hoe het toegaat. Hoe die lastige figuren (ze kunnen het zelf niet helpen) zich gedragen. Ik wil mogen melden welke invloed dat heeft op de vele lieve leerlingen (vast úw eigen kind), die de rottigheid moeten ondergaan vanwege …
Ooit trof ik een huilende invaljuf op de gang. Had ze maar een ander vak moeten kiezen, toch? En ook ik ging later geheel af in diezelfde onaangename klas. Ik houd niet van scheld­woorden maar in dit geval zouden ze gepast zijn: wat een verza­meling … De nasleep van die invalbeurt heeft mij en het schoolbestuur maanden bezig gehouden.

In ‘Invalmeester II‘ heb ik ook enkele praktische tegenmaatregelen voor of van een invaller opgeschreven. Het is eigenlijk verbijsterend dat ik, simpele invaller, derge­lijke punten moet aandragen. Die hadden al jaren geleden door een com­mis­sie van wijze onderwijzers en peda­gogen op een rijtje gezet kunnen en moeten zijn. En door de scholen uitgevoerd.
Het veel grotere probleem (iets met ‘moeilijke’ kinderen te doen) ligt niet bij de invallende passant maar bij de school. Het moet toch zorgen baren dat het zo vervelend kan worden met een invaller. De opmerking: “Ja, ze proberen een inval­ler toch altijd uit.” is hier niet op zijn plaats. Als ik word uitgeprobeerd, reageer ik adequaat en dan is het gewoon over-en-uit, in een enigszins werkbare groep. Er is toch echt wat aan de hand als dat niet lukt.

Ik zoek naar praktische oplossingen. Mij werd één praktische oplossing aange­reikt: “Stop toch met invallen in hogere groepen.” Ik denk hierover. Maar is het niet een beetje flauw om je de luxe te permitteren om hogere groepen te wei­ge­ren? Wie draait dan op voor de shit van onze maatschappij? Anders dan ik, zijn invallers meestal net afgestudeerde pabo-dames.
Volgens mij hoeven hogere groepen niet per definitie moeilijk te zijn. Als je ge­looft in de positieve werking van opvoeding en onderwijs, zou het eerder om­ge­keerd moeten werken: hoe hoger de groep, hoe beter. Na acht jaar zorg en aan­dacht zouden dat de topteams van de scholen moeten zijn.
Tot slot nog een – markant – voorbeeld: de Weerenschool, de vroegere klassen 5 en 6. Ja: ‘klassen’ want het is een ervaring van lang geleden. Als wij, het team, de groep ‘stabiel’ genoeg vonden, dan hadden we bij een dagje ziekte of verlof van de leerkracht geen invaller nodig. De leerlingen wisten waar ze mee bezig waren en werkten zo’n dag zonder meester of juf gewoon door. Bij problemen konden ze een beroep doen op assistentie van een leerkracht. Ik zal te zijner tijd een blogje wijden aan die bijzondere school.

Plaats een reactie