?

De Sarphatistraat

Eerder wijdde ik een serie blogjes aan de mensen, huizen en winkels in en bij de Simon Stevinstraat. Er kwam heel wat jeugdsentiment voorbij, sentiment gedeeld met buurt­genoten.
Mijn moeder schreef ooit prachtige, uitgebreide verhalen over de huizen waar zij woonde. Die geven een fraai tijdsbeeld. Mis­schien dat ik ze ooit nog eens uitwerk.
Zo mooi als zij het deed, kan ik het niet maar ik woonde op meer plekken dan alleen de Simon Stevinstraat en die moeten toch ook vereeuwigd worden.

Eerst even een overzichtje van de stekken:

1951  Amsterdam Sarphatistraat 185 (dit verhaal)
1956 Simon Stevinstraat 31 (eerder beschreven in acht verhalen)
1969 Spaarndammerstraat 86 (540)
1974 Van Ostadestraat 187
1978 Frans van Mierisstraat 44
1981  Epe Hoge Hagt 24
1986 Talmastraat 42
1992 Leenhofweg 11
2006  Harderwijk Schippersmeen 107

AdressenSarHet grafiekje komt uit Diversen­Grafie­ken.xlsm, het blad Adresssen.

De Sarphatistraat, mijn eerste huis. Ik moet diep graven en het is bijna on­mo­­ge­lijk om te weten wat echte herin­ne­rin­­gen zijn en wat komt uit ‘verhalen over’ die ik later oppikte.

Woonden we nou op twee- of op drie­hoog? De trappen naar boven waren in ieder geval verve­lend lang. Viel ik ooit een halve trap af toen tante Ellie met me zou gaan wandelen?
De woning bestond uit twee kamers en suite, een zijkamertje aan de straat (mijn slaap­kamer) en aan de achterkant de keuken met ernaast de waranda (een prima plek om te krijten; na vier krassen at ik de rest van het pijpje op). Met de woning­nood van toen zal het riant zijn geweest.
Sarphatistraat185Van het uitzicht op de Gooyer, de door moeders ingetekende pijl, kan ik me niks herin­neren maar het zal waar zijn. Die molen stond overigens eerst ergens op een bolwerk aan de Singelgracht, dus Nassaukade-Stadhouderskade-Mauritskade. Ook de molen aan de Haarlemmer­weg kwam daar vandaan.
Boven ons, op een zolderverdieping, woonde mevrouw Asher met haar zoon Sander (?). Bij de benedenburen ben ik één keer binnen geweest. Het was er duister.
In het stadsarchief vind ik:

  • Het was de derde verdieping maar wel Sar­phati­straat 185″ (twee hoog). De mij geheel onbekende mensen in het benedenhuis hadden blijkbaar de begane grond en de eerste ver­dieping.
  • Die dame heette Asscher en niet Asher. Daarna kwam mvr. Schildhuizen en weer later ene Dik de Jonge.
  • En De Jonge was ook de naam van de mensen onder ons.

Van de straat staat me weinig bij: breed, bo­men, een tram, spits’drukte’.
Er was het loopje naar dokter Hertzberger in het eerste huis aan onze kant van de straat. Een tijdje was ik ‘vaste klant’ om eetbriefjes te tonen (ik at blijkbaar slecht). Nog jaren lang was het de plek om prikken te halen.
Bij mijn weten werd er niet gespeeld op de ruime stoep. Een enkele keer ben ik steppend rond het hele blok gegaan: naar de hoek met de boom, Valckenier­straat (langs allemaal troep en bedrijfjes), links af de Roeterstraat en dan dat lange eind Sarpha­ti­straat. Zeg maar gerust: een avontuur.
Ik mocht met vriendjes (Sander?) en vriendinnetjes zonder begeleiding naar Artis. Leuk-leuk maar er werd wat gedonderd, gegooid met grind. Ik kreeg het tegen mijn hoofd en om er een drama van te maken had ik, veinsde ik dat ik een grindje in mijn oor had gekregen. Mam stuurde me naar Hertzberger en die vond, net als mam, natuurlijk niks.

Er moet flink gewandeld zijn. Naar Artis (we kwamen er vaak) of langs de Muiderpoort en het Tropenmuseum (met spannende stoepetjes die allemaal genomen moesten worden) naar het Oosterpark. Misschien dat we een rondje deden: heen langs het Tropenmuseum en terug over het ‘kippenbruggetje’ (een kwakel) dat de Mauritskade met de Korte ‘s-Gravesandestraat (een soort pleintje) verbond.
Richting centrum, de Amstel, was er een rijschool met een modelauto in de hoge etalage. Het ding had een opengewerkte motor waarin je de zuigers kon zien pompen. Goed voor minuten oponthoud ;-). En dan door naar de Amstel met links het Amstelhotel, de brug (Hoge Sluis) en rechts Carré.
Wel zeker een echte, eigen herinnering aan dit stuk van de Sarphatistraat: aman­delen knippen in het Emma Kinderziekenhuis. Het bruine leer van de stoel, dat verdovingskapje en buiten de stoep rood onderspugen. Daarna mocht ik naar bed en kreeg … ijs.
Oh ja, Carré. Ook een echte herinnering. We zaten vlak aan de piste, helemaal vooraan. Er gebeurde veel spannends, waarschijnlijk ook een leeuwen- en tijgers­act. Het ging mis toen clown A clown B met een enorme moker op zijn hoofd ramde. Uit zijn schedel plopte een rood ballonnetje en de tranen spoten met stralen uit z’n ogen. Dit was me teveel en ik zette het op een janken. Omdat ik ontroostbaar was, hebben we de zaal verlaten. Geestig en gênant.
Wandelen: mam wandelde met gemak naar oma in oost, naar de Simon Stevinstraat. Ik vond dat echt té ver. Waarom niet met de tram (met open balkons) die voor de deur stopte?
Artis: hemelsbreed op minder dan 400 meter. En dan hoor je in je bed de gelui­den: in ieder geval de pauwen, soms zelfs de olifanten en erger. Dat gaf voeding aan griezelgedachten: een krokodil onder het bed. Al met al werd Artis heel veel later de inspiratie voor een griezelverhaal.
Ik heb kort op een school in de Spinozastraat gezeten. Was het al klas 1 of nog de kleuter­school? In ieder geval was het overduidelijk Montessori met telkralen en dergelijke. Volgens moeders was ik de favoriet van juf Willemse. De enige scène in het geheugen is nogal gênant. Ik moest naar de wc, een grote boodschap. Dat heette thuis ‘een kip doen’ (misschien omdat een kip een ei legt?). Ik zei dat – “Ik moet een kip doen.” – tegen de juf die het natuurlijk niet begreep. Of die ‘kip’ in mijn broek terecht is gekomen … Onbekend.

Pa had een motorfiets, eigenlijk een forse brommer. Daarbij hoorde een zware leren jas en zo’n leren ‘helm’. Niet de helm maar de jas heb ik jaren gedragen. Kleuter dezes wilde niets liever dan voorop de benzinetank naar de stalling in de Roeterstraat. Als het twee keer is gebeurd, dan zal het veel zijn.
De benedenbuur had zelfs een auto. ‘s Winters ging er soms een keteltje heet water in de radiator en de bolide moest dan aangeslingerd worden. Een fasci­ne­rend gebeuren.

Het kastje van de radiodistributie bracht in de vroegte ‘het uitgebreide weer­be­richt en agrarische berichten’ op dicteersnelheid, de waterstanden (‘Grave bene­den de sluis: 486 plus 41’), ochtendgymnastiek (Lien Dreese of Ab Goubitz met Arie Snoek aan de piano), de VARA-haan en strijdliederen. Wat later op de dag kwamen de Groenteman (Tsja-tsja-tsja, wat zullen we eten. Ja-ja-ja, wie zal dat weten?), ‘Moeders wil is wet’ en, ook toen al, de Arbeidsvitaminen. Voor de kinderen: kleer­maker Pietje Prik, de reuzen Bellefleur en Bonnevu en in de avond ‘Het klokje van zeven uur’ en Paulus de Boskabouter. Blijkbaar maakte de radio diepe indruk want er zit nog veel meer in de bol.
Om dat kastje (en meer) te laten werken moest er af en toe een muntje in de elek­trameter bij de voordeur, beneden. Of ging het om een gasmunt?

Toeval bestaat niet, het heeft zo moeten zijn etc.: partner Corrie woonde later in de Sarphati­straat, eerst op 205 en daarna boven dokter Hertzberger op 213 bij de familie Frijlink. En in een volgend verhaal wordt het nog ‘erger’.

HuisAsdSarphatistraat02 HuisAsdSarphatistraat03
FamilieFransFransje08Aanrecht FamilieFransFransje07
HuisAsdSarphatistraatFrans11Trein
HuisAmsterdamSarphatistraat06a HuisAsdSarphatistraat05Muiderpoorta
HuisAsdOostTropenmuseum03 HuisAsdOostOosterpark02a
HuisAmsterdamArtis11NijlpaardenhuisRechts ‘een’ jongen op Murugan. Als vaste bezoeker viel mij ook de eer te beurt van een ‘ritje op’. HuisAmsterdamArtis09Murugan1956Cor

In 1957 verhuisden we en famille naar de Simon Stevinstraat. De acht verhalen daarover schreef ik dus al eerder. Ondanks alle ontkenningen verdenk ik mijn moeke ervan dat ze de verhuizing heeft aangegrepen om mijn sigarenblikje met kogels en hulzen – gekregen van oom Arnold – weg te moffelen.

Mijn eerste eigen woninkje werd daarna de Spaarndammerstraat.

Plaats een reactie